ECLI:NL:RBDHA:2025:16078
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser voerde aan dat de verlenging van de overdrachtstermijn onterecht was en dat Nederland daardoor verantwoordelijk werd voor de aanvraag. Tevens stelde hij dat medische en mentale problemen, ontstaan door traumatische ervaringen in Duitsland, een schending van artikel 3 EVRM Pro opleveren.
De rechtbank oordeelde dat de verlenging van de overdrachtstermijn rechtsgeldig was en dat de eerdere uitspraak waarin dit werd bevestigd onherroepelijk is. De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico bestaat op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro na overdracht aan Duitsland. Ook het medisch advies (BMA) was adequaat, ondanks kritiek op de focus op HIV en het ontbreken van specifieke aandacht voor mentale problematiek.
De rechtbank wees erop dat eiser inmiddels in Duitsland verblijft en dat er geen bewijs is van een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidssituatie sinds zijn terugkeer. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Smeets op 28 augustus 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.