ECLI:NL:RBDHA:2025:16081
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij weigering verblijfsvergunning arbeid in loondienst
Verzoekster, met de Keniaanse nationaliteit, vroeg een verblijfsvergunning regulier voor arbeid in loondienst aan, nadat haar eerdere vergunning met terugwerkende kracht was ingetrokken vanwege vestiging van hoofdverblijf buiten Nederland.
Zij heeft sinds november 2024 de status van EU-langdurig ingezetene verkregen in Spanje en is in januari 2025 naar Nederland teruggekeerd. De IND weigerde haar aanvraag omdat zij nog geen jaar legaal in Nederland verbleef na het verkrijgen van deze status, waardoor een tewerkstellingsvergunning (TWV) vereist is.
Verzoekster stelde dat het jaar legaal verblijf niet ná verkrijging van de EU-langdurig ingezetenenstatus hoeft te zijn, en dat de weigering onredelijk en onevenwichtig is. De voorzieningenrechter oordeelde dat de wettelijke voorwaarden en jurisprudentie vereisen dat het jaar legaal verblijf ná het verkrijgen van de status moet zijn geweest.
Ook was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van spoedeisend belang of financiële nood. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunningaanvraag is afgewezen.