ECLI:NL:RBDHA:2025:16100
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander
Verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, is geconfronteerd met een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie waarin de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is beëindigd. Verzoeker had geen lopende procedure over tijdelijke bescherming ten tijde van dit besluit. Hij stelde beroep in tegen het besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om zijn uitzetting te voorkomen en zijn voorzieningen te behouden.
De voorzieningenrechter constateert dat de minister heeft aangekondigd de bevriezing van de gevolgen van het beëindigen van tijdelijke bescherming voor de groep Oekraïense derdelanders op 4 september 2025 te beëindigen. Dit leidt tot onverwijlde spoed omdat verzoeker vanaf die datum geen gebruik meer kan maken van opvangvoorzieningen en niet meer mag werken.
De minister heeft geen verweerschrift ingediend en zich niet verzet tegen het verzoek. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe als ordemaatregel en bepaalt dat verzoeker moet worden behandeld alsof de Richtlijn tijdelijke bescherming (2001/55/EG) nog op hem van toepassing is tot vier weken na de beslissing op het beroep. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van €907.
Deze uitspraak is gedaan buiten zitting en is onherroepelijk, aangezien tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en tijdelijke bescherming wordt voortgezet tot vier weken na uitspraak in de bodemprocedure.