In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 29 augustus 2025 uitspraak gedaan op het verzet van de minister van Asiel en Migratie tegen een eerdere uitspraak van 22 juli 2025. In die eerdere uitspraak werd het beroep van de opposant niet-ontvankelijk verklaard omdat de rechtbank tot de conclusie was gekomen dat de opposant het griffierecht niet had betaald. De opposant, vertegenwoordigd door mr. F.H. Gart, had echter aangegeven dat hij de nota voor het griffierecht niet had ontvangen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aangetekend verzonden nota op 1 mei 2025 retour is gekomen en dat de griffier de nota niet opnieuw heeft verzonden, wat in strijd is met artikel 8:38, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierdoor is de opposant in zijn belangen geschaad.
De rechtbank oordeelt dat het verzet gegrond is, wat betekent dat de eerdere uitspraak vervalt en het onderzoek naar het beroep wordt hervat. De rechtbank geeft de opposant een nieuwe termijn van twee weken om het griffierecht te betalen, met de waarschuwing dat bij niet-tijdige betaling het beroepschrift alsnog niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Daarnaast wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van de opposant, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.