De rechtbank Den Haag behandelde het verzet van opposant tegen de uitspraak van 22 juli 2025, waarin het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht. Opposant stelde dat hij de nota's voor het griffierecht niet had ontvangen.
De rechtbank stelde vast dat de aangetekende nota van 1 mei 2025 retour was gekomen en dat de griffier niet tijdig een nieuwe nota per gewone post had verzonden, zoals vereist is op grond van artikel 8:38, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierdoor was opposant in zijn belangen geschaad.
De rechtbank oordeelde dat de niet-ontvankelijkverklaring ten onrechte was en dat de zaak zonder zitting was afgedaan terwijl dit niet gerechtvaardigd was. Het verzet werd daarom gegrond verklaard, de eerdere uitspraak verviel en het onderzoek werd hervat. Opposant krijgt een nieuwe termijn van twee weken om het griffierecht te betalen, met een nieuwe nota. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van €453,50.