ECLI:NL:RBDHA:2025:16150

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 augustus 2025
Publicatiedatum
29 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.17176
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijk verklaring van beroep inzake aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 29 augustus 2025 uitspraak gedaan op het verzet van de minister van Asiel en Migratie tegen een eerdere uitspraak van 22 juli 2025. In die eerdere uitspraak werd het beroep van de opposant niet-ontvankelijk verklaard omdat de rechtbank tot de conclusie was gekomen dat de opposant het griffierecht niet had betaald. De opposant, vertegenwoordigd door mr. F.H. Gart, had echter aangegeven dat hij de nota voor het griffierecht niet had ontvangen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aangetekend verzonden nota op 1 mei 2025 retour is gekomen en dat de griffier de nota niet opnieuw heeft verzonden, wat in strijd is met artikel 8:38, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierdoor is de opposant in zijn belangen geschaad.

De rechtbank oordeelt dat het verzet gegrond is, wat betekent dat de eerdere uitspraak vervalt en het onderzoek naar het beroep wordt hervat. De rechtbank geeft de opposant een nieuwe termijn van twee weken om het griffierecht te betalen, met de waarschuwing dat bij niet-tijdige betaling het beroepschrift alsnog niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Daarnaast wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van de opposant, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17176 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam], opposant [1]
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F.H. Gart),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 juli 2025 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van deze rechtbank van 22 juli 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 22 juli 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Het beroep van opposant

4. Het beroep van opposant ging over het niet tijdig beslissen op een aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf, voor zijn ouders en broer.
De uitspraak van 22 juli 2025
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant het griffierecht niet heeft betaald.

Gronden verzet

6. Opposant heeft aangegeven dat hij de nota voor het betalen van het griffierecht van 1 mei 2025 niet heeft ontvangen. Ook de brief van 16 juni 2025 heeft opposant niet ontvangen.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank stelt vast dat de op 1 mei 2025 aangetekend verzonden nota waarbij opposant is verzocht om het verschuldigde griffierecht te voldoen, bij de rechtbank retour is gekomen op 26 mei 2025. De griffier van de rechtbank heeft de nota niet nogmaals zo spoedig als mogelijk is, zoals hij op grond van artikel 8:38, eerste lid, van de Awb verplicht is, opnieuw bij gewone post verzonden. De rechtbank komt tot de conclusie dat opposant in zijn belangen is geschaad door het niet naleven van artikel 8:38, eerste lid, van de Awb. Het beroep is ten onrechte wegens het niet betalen van het griffierecht niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank heeft in de uitspraak van 22 juli 2025 ten onrechte geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. De rechtbank zal opposant een nieuwe termijn van twee weken geven voor het betalen van het griffierecht. Opposant zal hiervoor een nieuwe nota ontvangen. Als opposant het verschuldigde griffierecht niet tijdig betaalt, loopt hij het risico dat het beroepschrift alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door opposant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Karsowidjojo, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).