Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).
Samenvatting
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Egyptische nationaliteit, diende op 22 januari 2020 een asielaanvraag in vanwege dreigementen van islamitische salafisten en de Moslim Broederschap nadat hij interesse toonde in het christendom. De minister wees de aanvraag op 15 juli 2021 af, maar de rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep gegrond en gaf opdracht tot herbeoordeling. Na aanvullend onderzoek wees de minister het verzoek op 27 november 2024 opnieuw af.
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep op 18 juni 2025. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van eiser over zijn identiteit en geloofsovertuiging tegenstrijdig en niet aannemelijk waren. Eiser gaf wisselende verklaringen over zijn documenten, aliassen en bekering tot het christendom. Ook was er onvoldoende medische onderbouwing voor zijn beweringen over psychische klachten die zijn geloofwaardigheid zouden beïnvloeden.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht de aanvraag als ongegrond heeft afgewezen, omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende geloofwaardige identiteit en geloofsovertuiging.