ECLI:NL:RBDHA:2025:1621

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 februari 2025
Publicatiedatum
7 februari 2025
Zaaknummer
NL24.50993
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArtikel 31, zesde lid, onder c, Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid en geen medische indicatie

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon die asiel aanvraagt vanwege afvalligheid van de islam, problemen met het Marokkaanse consulaat en zijn seksuele gerichtheid, heeft een herhaalde asielaanvraag ingediend die door de minister is afgewezen als kennelijk ongegrond.

De rechtbank beoordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat Marokko een veilig land van herkomst is en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging heeft. De geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid werd niet erkend, en de verklaringen vormden geen samenhangend geheel.

Eiser stelde dat zijn geestelijke gesteldheid onvoldoende is meegewogen en dat er een medisch onderzoek had moeten plaatsvinden. De rechtbank oordeelt dat uit het gehoorverslag blijkt dat eiser coherent kon antwoorden en dat er geen concrete aanwijzingen waren voor een medisch onderzoek. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft van kracht.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en handhaaft de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag en het inreisverbod.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50993

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn herhaalde asielaanvraag. Eiser heeft op 26 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 december 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister ziet verder geen aanleiding om eiser ambtshalve een vergunning regulier voor bepaalde tijd of uitstel van vertrek op medische gronden te verlenen. De minister heeft het terugkeerbesluit dat op 28 februari 2019 al aan eiser is uitgevaardigd gehandhaafd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan hem opgelegd.
1.2.
De rechtbank heeft beroep op 30 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister de herhaalde asielaanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. De beroepsgronden van eiser zien alleen op de wijze waarop het gehoor opvolgende aanvraag heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn herhaalde asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Hij is uit Marokko vertrokken omdat hij afvallige van de islam is. Daarnaast heeft eiser problemen gehad met het Marokkaanse consulaat in Frankrijk. Ook vraagt eiser asiel aan vanwege zijn seksuele gerichtheid.
Het bestreden besluit
4. De herhaalde asielaanvraag van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst.
  • Afvalligheid van de islam.
  • Verklaringen over het incident bij het Marokkaanse consulaat in Frankrijk.
  • Seksuele gerichtheid.
5. De minister heeft eisers identiteit en nationaliteit geloofwaardig acht (asielmotief 1). De minister heeft gesteld dat eiser afkomstig uit Marokko, uit een veilig land van herkomst afkomstig is. [1] Niet is gebleken dat eiser onder een van de uitzonderingen valt voor wie Marokko niet als veilig land is aangewezen. Uit eisers verklaringen blijkt voorts niet dat Marokko voor hem persoonlijk niet veilig is. De minister heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat hoewel de afvalligheid van de islam (asielmotief 2) geloofwaardig is, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Marokko een gegronde vrees voor vervolging heeft. De minister heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over het incident bij het Marokkaanse consulaat eveneens geloofwaardig zijn (asielmotief 3). De minister heeft echter eisers verklaringen dat hij bij terugkeer naar Marokko vreest voor 5 of 10 jaar gevangenisstraf, niet aannemelijk geacht omdat deze niet zijn onderbouwd. De minister acht de gestelde seksuele gerichtheid (asielmotief 4) niet geloofwaardig. De minister heeft verder dit asielmotief in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling evenmin geloofwaardig gevonden. De minister is van mening dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [2]

Beroepsgronden

Over het als herhaald en ingelast beschouwen van de zienswijze
6. De rechtbank overweegt dat eisers stelling dat zijn zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. Verweerder is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijzen. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van verweerder op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook alleen richten op wat eiser in beroep daarover heeft aangevoerd. De rechtbank verwijst ter onderbouwing hiervan naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). [3]
Is het besluit onzorgvuldig genomen?
7. Eiser voert aan dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn geestelijke gesteldheid ten tijde van het gehoor opvolgende aanvraag. Het is onjuist te concluderen dat uit het gehoorverslag niet zou blijken dat eiser in een verwarde toestand verkeerde. Er zijn door eiser ontegenzeggelijk antwoorden gegeven die niet coherent zijn en opmerkingen gemaakt die niet kunnen worden gevolgd in de context van het gehoor. Eiser verwijst hierbij naar de opmerking
“ik ben overtuigd geraakt, waar is ie? Ik beweeg zelf bijvoorbeeld deze beker.”Verder:
”Ik was een beetje ziek, ook in mijn hoofd, mentaal. Dat weten jullie wel.” [4] Eiser is van mening dat er voor de minister concrete aanknopingspunten waren voor het doen van een medisch onderzoek. Daarom heeft eiser ook verzocht in zijn brief van 10 december 2024, correcties en aanvullingen gehoor opvolgende aanvraag. Eiser stelt dat hij onvoldoende inzicht heeft kunnen geven in zijn persoonlijke beleving en gedachtegang rondom zijn seksualiteit. Dit klemt temeer nu blijkt dat de minister stelt dat eiser niet valt onder de uitzonderingscategorie voor LHBTI-personen, omdat hij de door hem gestelde seksuele gerichtheid niet geloofwaardig heeft kunnen maken. Omdat er geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden waaruit zou kunnen blijken dat eiser niet in staat was om coherent te verklaren, is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en daardoor niet deugdelijk gemotiveerd.
7.1.
De minister heeft gesteld dat er geen concrete aanknopingspunten aanwezig waren om een medisch onderzoek aan te bieden in deze herhaalde asielaanvraag. Hij heeft op geen enkel moment medische stukken overgelegd, waaruit blijkt dat hij onder medische behandeling staat of medicatie krijgt voorgeschreven. De enkele opmerking dat eiser in het verleden leed aan psychische stoornissen is onvoldoende aanleiding om een medisch onderzoek aan te bieden. Navraag bij de hoormedewerker heeft uitgewezen dat eiser op geen enkel moment verward bij haar overkwam en ook blijkt uit het hoorverslag niet dat eiser verward was, aldus de minister.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat uit de Werkinstructie 2021/12 ‘Medische problematiek en horen en beslissen in de asielprocedure’ volgt dat aan vreemdelingen waarvan de aanvraag wordt behandeld in spoor 2 of bij opvolgende asielaanvragen niet standaard een medisch advies horen en beslissen wordt aangeboden. Het dossier kan de hoormedewerker wel aanleiding geven om de vreemdeling, gezien het vereiste van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een medisch advies aan te bieden. De rechtbank volgt de minister in zijn beslissing dat hij hier in onderhavig geval geen gebruik van heeft hoeven maken. Aan dit oordeel legt de rechtbank het navolgende ten grondslag.
7.3.
Uit het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag blijkt niet dat eiser medische problemen heeft die aan het gehoor in de weg staan. Daar zijn vragen over gesteld aan het begin van het gehoor en eiser heeft toen geantwoord dat hij in staat was om het gehoor te doen. [5] Ook heeft de hoormedewerker tegen eiser gezegd dat hij kan aangeven als er problemen zijn tijdens het gehoor of als hij behoefte had aan een pauze. Tijdens het gehoor zijn pauzes ingelast en eiser heeft na afloop van een pauze steeds positief geantwoord op vragen over zijn welzijn en het voortzetten van het gehoor. Ook heeft de hoormedewerker doorgevraagd, wanneer een antwoord niet meteen duidelijk werd. [6] Uit het verslag van het gehoor blijkt niet dat eiser zo verward was dat hij niet meer in staat was om de gestelde vragen te begrijpen of te beantwoorden. Verder is uit het dossier niet gebleken van medische omstandigheden of andere zaken waar de minister rekening mee moest houden. Eiser heeft ook in deze procedure geen medische stukken ingebracht. De ter zitting overgelegde e-mail van eiser, waarin hij op het laatste moment aangeeft niet naar de zitting te zullen komen, maakt dit niet anders. Gelet hierop heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanwijzingen waren dat er (aanvullende) procedurele waarborgen in het geval van eiser nodig waren. De minister heeft in zijn besluitvorming de verklaringen zoals die zijn afgelegd in het gehoor mogen gebruiken.
8. Eiser heeft verder geen gronden naar voren gebracht waaruit blijkt dat zijn noch zijn seksuele gerichtheid noch zijn afvalligheid geloofwaardig gevonden had moeten worden. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser terug kan keren naar Marokko.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. De rechtbank laat de afwijzing van de asielaanvraag en het inreisverbod voor de duur van twee jaar in stand. Daarmee staat ook vast dat eiser moet terugkeren naar Marokko, hetgeen al is vermeld in het terugkeerbesluit van 28 februari 2019. De rechtbank is van oordeel dat er nog steeds geen aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat eiser niet naar Marokko kan terugkeren.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Brief van de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer van 9 februari 2016 en Bijlage 13 van het Voorschrift Vreemdelingen. Ook uit de herbeoordeling van 8 juni 2023 blijkt dat Marokko een veilig land van herkomst is.
2.Artikel 31, zesde lid, onder c, Vw.
3.Zie de uitspraken van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169, en 7 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1028.
4.Rapport gehoor opvolgende aanvraag, p. 10 (8e alinea).
5.Rapport gehoor opvolgende aanvraag, p. 2
6.Rapport gehoor opvolgende aanvraag, p.16 (paragraaf 7-9), p.18 (paragraaf 4- 6) en p.23 (paragraaf 6-8)