De zaak betreft een verzoek van een gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen, die al meer dan acht jaar geen contact hebben met hun vader. De kinderen wonen bij hun moeder, die samen met de vader het ouderlijk gezag heeft. De ondertoezichtstelling was eerder voor een jaar opgelegd en zou verlengd worden om contactherstel tussen vader en kinderen te bevorderen.
Tijdens de zitting werd duidelijk dat de moeder bereid is mee te werken aan een ouderschapstraject gericht op contactherstel, en dat de kinderen momenteel niet openstaan voor contact met hun vader. De gecertificeerde instelling erkende dat zij weinig stappen heeft gezet in het contactherstel en stelde voor de verlenging voor zes maanden toe te wijzen en het verdere verloop aan te houden.
De rechtbank overweegt dat het ontbreken van contact op zichzelf onvoldoende is om een ondertoezichtstelling te rechtvaardigen, tenzij dit leidt tot ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen van de kinderen. In deze zaak is onvoldoende gemotiveerd dat de kinderen hierdoor ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De mening van de oudste minderjarige is authentiek bevonden. De rechtbank wijst het verzoek tot verlenging daarom af.
De beschikking is gegeven door kinderrechter M. de Kleine en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.