Op 6 december 2024 heeft de verdachte in een GGZ-instelling vier zorgmedewerkers mishandeld door hen te slaan en één medewerker ook te bijten. De rechtbank acht het bewezen dat de verdachte deze handelingen heeft verricht tijdens de rechtmatige uitoefening van hun bediening. De verdediging voerde onder meer aan dat het bijten niet bewezen kon worden en dat de toediening van dwangmedicatie wederrechtelijk was, wat door de rechtbank werd verworpen.
De verdachte beriep zich op (putatief) noodweer en psychische overmacht, maar de rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een noodweersituatie en dat de verdachte de aanval initieerde. Ook het beroep op psychische overmacht werd afgewezen. Uit psychiatrische en psychologische rapportages bleek dat de verdachte leed aan een autismespectrumstoornis en schizofrenie, met een acute psychose tijdens het incident, waardoor hij het ten laste gelegde niet kan worden toegerekend.
De officier van justitie vorderde ontslag van rechtsvervolging, wat de rechtbank volgde. De officier van justitie verzocht tevens om oplegging van een TBS-maatregel met dwangverpleging, ongemaximeerd. De verdediging betoogde dat dit disproportioneel is en pleitte voor opname onder een zorgmachtiging of TBS met voorwaarden.
De rechtbank besloot het onderzoek te heropenen en te schorsen voor nader onderzoek door de reclassering naar de uitvoerbaarheid van een TBS-maatregel met voorwaarden. Tevens worden psycholoog, psychiater, reclassering, verdachte, raadsvrouw en benadeelden opgeroepen voor een volgende zitting.