ECLI:NL:RBDHA:2025:16243

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 augustus 2025
Publicatiedatum
1 september 2025
Zaaknummer
C/09/677435 HA RK 24-660
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verwijdering van zoekresultaat op basis van de AVG door een vastgoedondernemer tegen Google

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 28 augustus 2025 uitspraak gedaan in een verzoek van een vastgoedondernemer, woonachtig in Duitsland, om een link naar een krantenartikel te verwijderen uit de zoekresultaten van Google. De verzoeker, aangeduid als '[verzoeker]', heeft meerdere keren verzocht om de URL van een artikel dat hem in verband brengt met strafrechtelijke veroordelingen te verwijderen, op basis van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De rechtbank heeft vastgesteld dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen, gezien de internationale context van de zaak. De verzoeker stelde dat de informatie in het artikel onjuist en stigmatiserend was, en dat deze zijn privéleven en zakelijke relaties negatief beïnvloedde. Google heeft het verzoek afgewezen, stellende dat de informatie relevant was voor het publiek en dat er geen substantiële onjuistheden in het artikel waren. De rechtbank heeft de argumenten van de verzoeker beoordeeld en geconcludeerd dat de informatie in het artikel, hoewel oud, nog steeds relevant was voor de professionele integriteit van de verzoeker. De rechtbank heeft geoordeeld dat het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie van Google en het publiek zwaarder weegt dan de privacybelangen van de verzoeker. Het verzoek om verwijdering van de URL is afgewezen, en de verzoeker is veroordeeld in de proceskosten van Google.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rekestnummer: C/09/677435/ HA RK 24-660
Beschikking van28augustus 2025
in de zaak van
[verzoeker]te [woonplaats] , Duitsland,
verzoeker,
advocaat: mr. S.T.L.A. Mulders te Amsterdam,
tegen
GOOGLE LLCte Mountain View, CA, Verenigde Staten van Amerika,
verweerder,
advocaten: mrs. A.J. Tromp en D.F.P. de Weerd te Amsterdam.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [verzoeker] ’ respectievelijk ‘Google’.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift, ontvangen op 16 december 2024 en betekend op 18 februari 2025, met producties 1 tot en met 21;
- het verweerschrift, met producties 1 tot en met 6;
- de akte vermeerdering verzoek van [verzoeker] , met aanvullende productie 22 en een beter leesbare versie van productie 7;
- de aanvullende productie 23 van [verzoeker] ;
- de door partijen overgelegde en voorgedragen pleitnotities
.
1.2.
Op 15 mei 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.
1.3.
De datum van beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] is een Nederlandse vastgoedondernemer. Hij woont in Duitsland. [verzoeker] gebruikt als voornaam zowel “ [voornaam verzoeker 1] ” als “ [voornaam verzoeker 2] ”.
2.2.
Blijkens een overzicht van de justitiële gegevens van [verzoeker] van de Justitiële Informatiedienst van 1 mei 2023 is [verzoeker] een aantal maal strafrechtelijk veroordeeld. Zo is [verzoeker] bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant van 25 april 2017 wegens het medeplegen van valsheid in geschifte, in de periode van 1 mei 2011 tot 31 januari 2015, veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, bij arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 20 december 2016 wegens valsheid in geschrifte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en bij vonnis van de politierechter te ‘s-Hertogenbosch van 12 oktober 2000 voor het meermalen opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerst lid aanhef en onder C van de Opiumwet veroordeeld tot 14 uur werkstraf en twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.
2.3.
Google is exploitant van de internetzoekmachine Google Search (hierna: de zoekmachine). Deze zoekmachine helpt gebruikers om informatie elders op het internet te vinden. Gebruikers kunnen een of meer zoektermen opgeven, waarna de zoekmachine zoekresultaten weergeeft. De zoekresultaten bevatten hyperlinks die naar internetadressen van webpagina’s, zogeheten Uniform Resource Locators (URL’s), verwijzen. De selectie en ordening van de zoekresultaten vindt plaats op basis van een geautomatiseerd, algoritmisch proces. Google Search wordt wereldwijd aangeboden via de website www.google.com. In verschillende landen bestaan lokale versies die aan de nationale taal zijn aangepast, zoals in Nederland www.google.nl.
2.4.
Als in de zoekmachine de zoekopdracht ‘ [verzoeker met voornaam 1] ’ dan wel ‘ [verzoeker met voornaam 2] ’ wordt ingevoerd, verschijnt bij de zoekresultaten onder meer de URL die naar een artikel van 16 september 2022 in Dagblad De Limburger (hierna: het artikel) verwijst.
2.5.
Het artikel heeft als kop “
Topman miljoenenfonds provincie steekt eigen geld in omstreden vakantiepark [vakantiepark] in [plaats 1] : gouverneur start onderzoek” en gaat over [naam 1] , beheerder van het Limburgs Energie Fonds, een investeringsfonds van de provincie Limburg, die ‘kwetsbaar’ of zelfs chantabel zou zijn doordat hij ruim een miljoen euro eigen geld heeft geïnvesteerd in vakantiepark [vakantiepark] in [plaats 1] , welk vakantiepark volgens het artikel omstreden zou zijn. Eigenaresse en bestuurder van dit vakantiepark is de moeder van [verzoeker] . In het artikel wordt over [verzoeker] onder meer vermeld dat hij strafrechtelijke veroordelingen op zijn naam heeft staan voor opiumwetdelicten en hypotheekfraude en in het verleden is verdacht van witwassen.
In het artikel staan, onder meer, de volgende passages:
a. a) “
Hij heeft twee veroordelingen vanwege opiumwetdelicten op zijn naam staan.”
b) “
dat [verzoeker] tussen 1999 en 2008 in totaal 46 panden had aangekocht, ter waarde van ruim 5,5 miljoen, terwijl hij volgens de Belastingdienst tussen 2000 en 2007 geen legaal inkomen in Nederland had. Volgens de rechtbank was er sprake van een redelijke verdenking van witwassen.”
c/f) ”
In een beschikking uit 2014 van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam staat dat er een strafrechtelijk onderzoek tegen [verzoeker] loopt en dat de administratie van de [vakantiepark] -Holding in beslag is genomen. Het zou gaan om ‘onttrekking van gelden’ aan de holding. De Ondernemingskamer gelast daarnaast een onderzoek naar de geldstromen binnen het [vakantiepark] -concern en benoemt een onafhankelijke bestuurder, (…) Zo is [verzoeker met voornaam 1] , de contactpersoon van [naam 1] bij het [plaats 1] park, veroordeeld voor opiumdelicten en hypotheekfraude en is hij in het verleden verdacht van witwassen.”
d) “
In 2025 is hij, voortvloeiend uit de witwasverdenking, tot in hoger beroep veroordeeld voor hypotheekfraude en gesjoemel met een salarisstrook rond [vakantiepark].”
e) “
In 2016 wordt [verzoeker] , samen met zakenpartner [naam 2] , na een vormfout vrijgesproken van vermeend gesjoemel met elektriciteitsmeters in hun Eindhovense panden. Een jaar eerder legt de gemeente Eindhoven 1 miljoen aan dwangsommen op wegens vermeende gebreken aan de studentenhuizen; daarvan wordt uiteindelijk 125.000 euro geïnd.”
Onder het artikel zijn reacties vermeld, waaronder de volgende reactie van [verzoeker] :
“ [verzoeker met voornaam 1] : ‘Er is niets aan de hand’
[verzoeker met voornaam 1] reageert geïrriteerd op de vragen van De Limburger. “Er is niets aan de hand. Ik heb niets met [vakantiepark] te maken, nooit bestuurlijke verantwoordelijkheid gehad. Ik heb geadviseerd bij het regelen van de lening van [naam 1] , dat klopt, maar verder niets. En mijn verleden is privé en totaal niet relevant voor de zakelijke relatie tussen [naam 1] en [vakantiepark] . Met de fiscus heb ik nooit problemen gehad en witwassen is me nooit ten laste gelegd. Ik vind uw insinuaties ongefundeerd.”
2.6.
[verzoeker] heeft op 20 september 2022 een klacht ingediend over het artikel bij de Raad voor de Journalistiek. Deze heeft de klacht van [verzoeker] op 10 januari 2023 ongegrond verklaard. De Raad was van oordeel dat de (privacy)belangen van [verzoeker] niet disproportioneel zijn aangetast. Het vermelden van [verzoeker] naam was volgens De Raad toelaatbaar en het vermelden van de antecedenten van [verzoeker] was nodig om op begrijpelijke wijze te berichten over de redenen waarom de private investering van de topman in het vakantiepark mogelijk problematisch is. Daarbij werd relevant geacht dat de topman zelf een verband had gelegd met [verzoeker] .
2.7.
[verzoeker] heeft Google op 30 oktober, 7 november en 12 november 2024 en laatstelijk op 8 mei 2025 verzocht de URL die gekoppeld is aan de website met het artikel te verwijderen.
2.8.
Google heeft deze verzoeken afgewezen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt uiteindelijk, na wijziging van het verzoek, bij beschikking voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Google te bevelen om de
[URL]te blokkeren in haar zoekresultaten voor zoekopdrachten naar “ [verzoeker met voornaam 1] ” en “ [verzoeker met voornaam 2] ” voor zover die zoekopdrachten binnen de European Economic Area worden gegeven, op straffe van een dwangsom van
€ 5.000,00 per dag met een maximum van € 100.000,00 en met veroordeling van Google in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[verzoeker] baseert zijn verzoek op artikel 17 en artikel 21 van de Algemene Verordening Gegevensverwerking (Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016, hierna: AVG), en beroept zich verder op het Costeja-arrest [1] . Volgens [verzoeker] is Google gehouden de URL te blokkeren omdat het betreffende artikel een stigmatiserende inhoud heeft en onjuistheden bevat. De daarin genoemde strafrechtelijke gegevens zijn bovendien voornamelijk oud en zien op lichte vergrijpen. Het is niet strikt noodzakelijk dat het publiek daarvan kennis neemt. Dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking van deze informatie door Google ontbreken, terwijl [verzoeker] zowel zakelijk als in de privésfeer negatieve effecten van de URL-koppeling naar het artikel ondervindt.
3.3.
Google voert verweer. Op het verweer van Google wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Rechtsmacht, relatieve bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
Omdat [verzoeker] in Duitsland woont en Google is gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika (VS), heeft deze zaak een internationaal karakter. Daarom moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is en – voor zover dat zo is – naar welk materieel recht het verzoek moet worden beoordeeld.
4.2.
[verzoeker] stelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van dit verzoek kennis te nemen op grond van artikel 79 lid 2 AVG gelezen in samenhang met artikel 35 UAVG. Google heeft hiertegen geen verweer gevoerd.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat dit geschil onder het materiële, temporele en formele toepassingsgebied van de AVG valt. Artikel 79 lid 2 AVG bepaalt dat een procedure tussen een betrokkene en een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker zowel kan plaatsvinden bij het gerecht van de lidstaat waar de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker een vestiging heeft als waar de betrokkene gewoonlijk verblijft. Google is gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika en heeft ook in Nederland een vestiging. Dit artikel biedt daarom naar het oordeel van de rechtbank een aanknopingspunt voor de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter.
Aangezien [verzoeker] in Duitsland woont, leidt dat tot de conclusie dat artikel 262 Rv geen bevoegde rechter aanwijst. Ook artikel 263 tot en met 268 Rv doen dat niet. In dat geval is op grond van artikel 269 Rv de rechter in Den Haag bevoegd.
4.4.
Nu beide partijen er in deze procedure kennelijk van uitgaan dat de UAVG van toepassing is, zal de rechtbank daarbij aansluiten.
Toetsingskader
4.5.
Als EU-verordening is de AVG verbindend in al haar onderdelen en rechtsreeks toepasselijk. De AVG is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen die zich in de Europese Unie bevinden. [verzoeker] is woonachtig in Duitsland en dus in de Europese Unie, zodat het verzoek zal worden beoordeeld aan de hand van de regels van de AVG. Niet in geschil is dat Google met haar zoekmachine persoonsgegevens verwerkt in de zin van de AVG en dat zij is aan te merken als verwerkingsverantwoordelijke als bedoeld in artikel 4 aanhef en onder 7 AVG. De wijze waarop Google met haar zoekmachine persoonsgegevens verwerkt is in beginsel gerechtvaardigd op grond van artikel 6 lid 1 onder f AVG (HvJ EU 13 mei 2014, ECLI:NL:C:2014:317, hierna ook wel: het Costeja-arrest).
4.6.
Op grond van artikel 17, eerste lid, AVG heeft een betrokkene het recht op verwijdering van zijn persoonsgegevens door de verwerkingsverantwoordelijke als de gegevensverwerking onverenigbaar is met de AVG, in het bijzonder wanneer de persoonsgegevens niet langer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij zijn verwerkt (sub a), wanneer de betrokkene overeenkomstig artikel 21, eerste lid, AVG bezwaar heeft gemaakt tegen de verwerking en er geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking zijn (sub c) of wanneer de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt (sub d). Uit artikel 17 lid 3 sub a AVG volgt dat dit verwijderingsrecht niet van toepassing is wanneer de verwerking nodig is voor het uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie.
4.7.
Artikel 21 lid 1 van de AVG bepaalt, voor zover in deze zaak van belang, dat de betrokkene vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar kan maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6 lid 1 sub f van de AVG. De verwerkingsverantwoordelijke staakt de verwerking van de persoonsgegevens tenzij hij dwingende, gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene.
4.8.
In de AVG, en meer bepaald in artikel 17, lid 3, onder a, is dus expliciet het vereiste neergelegd dat er een afweging moet worden gemaakt tussen grondrechten op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens enerzijds (artikelen 7 en 8 van het Handvest) en het grondrecht op vrijheid van informatie anderzijds (artikel 11 van het Handvest; zie HvJ EU 24 september 2019, ECLI:EU:C:2019:773, punt 59).
4.9.
Bij de beoordeling van het verzoek de URL te blokkeren gaat het om de gevonden zoekresultaten van de zoekmachine en niet in de eerste plaats om de inhoud van de webpagina’s waarnaar een koppeling in de zoekresultaten verwijst. De door een zoekmachine verrichte verwerking van persoonsgegevens verschilt van de door een webredacteur verrichte verwerking van persoonsgegevens. Die laatste verwerking bestaat er immers uit om gegevens op een webpagina te plaatsen. De verwerking door een zoekmachine komt daar bovenop. De werking van een zoekmachine is van doorslaggevend belang bij de wereldwijde verspreiding van deze gegevens, doordat deze gegevens zo toegankelijk worden voor elke internetgebruiker die op de naam van de betrokkene zoekt. Verder kan de ordening en samenvoeging van de op het internet gepubliceerde informatie die de zoekmachine tot stand brengt om de gebruikers ervan gemakkelijker toegang tot deze informatie te verschaffen, ertoe leiden dat deze gebruikers, wanneer zij op de naam van een natuurlijke persoon zoeken, via de resultatenlijst een gestructureerd overzicht krijgen van de informatie die op internet over deze persoon is te vinden (zie het Costeja-arrest en HvJ EU 24 september 2019, ECLI:EU:C:2019:773, punt 36).
4.10.
De exploitant van een zoekmachine is niet verantwoordelijk voor het feit dat persoonsgegevens op een door een derde gepubliceerde website staan, maar voor het feit dat een link naar die site wordt getoond in de lijst met zoekresultaten die internetgebruikers te zien krijgen na een zoekopdracht op de naam van een natuurlijke persoon. Wanneer de betrokkene optreedt tegen de exploitant van de zoekmachine, komen de betrokken rechten, belangen en beperkingen dus niet noodzakelijkerwijs overeen met die bij een vordering tegen een aanbieder van inhoud. Dat betekent dat voor de toetsing van een verzoek tot verwijdering van links op grond van artikel 17 AVG een specifieke afweging van het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie noodzakelijk is. Daarbij moet rekening worden gehouden met een aantal relevante criteria, zoals de bijdrage aan een debat van algemeen belang, de bekendheid van de betrokkene, het onderwerp van het bericht, het eerdere gedrag van de betrokkene, de inhoud, de vorm en de gevolgen van de publicatie, de wijze waarop en de omstandigheden waarin de informatie is verkregen en de waarachtigheid ervan (HvJ EU 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:962).
4.11.
Bij de afweging van de onderscheiden belangen komt meer gewicht toe aan gegevensbeschermingsrechten als een niet onbeduidend deel van de informatie waarop het verwijderingsverzoek betrekking heeft onjuist blijkt te zijn. In een dergelijk geval kan immers geen rekening worden gehouden met het recht op informatie en het recht om geïnformeerd te worden, aangezien het recht om dergelijke informatie te verspreiden en er toegang toe te krijgen, daar niet onder valt. Wanneer degene die heeft verzocht om verwijdering van links relevante en afdoende bewijzen overlegt die zijn verzoek kunnen onderbouwen en aantonen dat ten minste een niet onbeduidend deel van de informatie in de gelinkte inhoud kennelijk onjuist is, moet de exploitant van de zoekmachine dit verzoek tot verwijdering van links inwilligen (HvJ EU 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:962).
4.12.
Degene die om verwijdering van de URL uit de zoekresultaten vraagt moet daarvoor wel aantonen dat ten minste een niet onbeduidend deel van de informatie in de publicatie waarnaar de URL verwijst kennelijk onjuist is. Daarbij geldt wel dat geen buitensporige of onredelijke bewijslast opgelegd mag worden die het nuttig effect van het recht op verwijdering van links teniet kan doen. Diegene hoeft daarom alleen bewijzen aan te leveren als, gelet op de omstandigheden van het geval, redelijkerwijs van hem kan worden verlangd dat hij ze opzoekt om die kennelijke onjuistheid aan te tonen. Voor de toepassing van artikel 17, lid 3, onder a, AVG moet daarbij onderscheid worden gemaakt tussen feitelijke beweringen en waardeoordelen. Van feitelijke beweringen kan worden aangetoond dat ze onjuist zijn, maar bij waardeoordelen is dat niet mogelijk. Van de aanbieder van de zoekmachine kan niet worden verlangd dat deze, om vast te stellen of het verwijderingsverzoek terecht is, actief op zoek gaat naar feiten die niet worden gestaafd door de inhoud van dat verzoek (HvJ EU 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:962).
4.13.
Artikel 10 AVG bepaalt, voor zover hier van belang, dat persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten op grond van artikel 6 lid 1 AVG in beginsel alleen mogen worden verwerkt onder toezicht van de overheid. Voorts mogen omvattende registers van strafrechtelijke veroordelingen op grond van voornoemde bepaling alleen worden bijgehouden onder toezicht van de overheid of indien de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkene bieden.
4.14.
Relevant voor de beoordeling van het onderhavige verzoek is voorts hetgeen het Hof van Justitie in het GC e.a./CNIL-arrest heeft overwogen. In dit arrest stelt het Hof van Justitie vast dat het verbod op de verwerking van bijzondere persoonsgegevens, zoals strafrechtelijke persoonsgegevens als bedoeld in artikel 10 AVG, enkel de eigen verwerking van bijzondere persoonsgegevens door de zoekmachine-exploitant betreft, met name het weergeven van een verwijzing naar een bronpagina met bijzondere persoonsgegevens in de lijst met zoekresultaten bij een zoekopdracht op naam van de betrokkene. De exploitant is niet verantwoordelijk voor het feit dat bijzondere, strafrechtelijke persoonsgegevens op die bronpagina’s staan (vergelijk Hof van Justitie, rechtsoverweging 46 en 47 van het GC e.a./CNIL-arrest). Uit het arrest volgt dat het recht op bescherming van deze persoonsgegevens geen absoluut recht is. Het Hof van Justitie verwijst naar de eerder door hem gegeven overweging in het Costeja-arrest (Hof van Justitie, rechtsoverweging 66 van het GC e.a./CNIL-arrest). Ook ten aanzien van een verwijderingsverzoek in verband met zoekresultaten die verwijzen naar webpagina’s met daarop strafrechtelijke persoonsgegevens in de zin van artikel 10 AVG, waarbij de inbreuk op de grondrechten van de betrokkene bijzonder ernstig kan zijn vanwege de gevoeligheid van deze gegevens (vergelijk Hof van Justitie, rechtsoverweging 67 van het GC e.a./CNIL-arrest), moet steeds een belangenafweging worden gemaakt tussen enerzijds het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van (bijzondere) persoonsgegevens van die betrokkene en anderzijds het recht op toegang tot informatie van het publiek en de vrijheid van meningsuiting van degene van wie die informatie afkomstig is (als bedoeld in onder meer artikel 11 van het Handvest). Afgezien van de uitzonderingen op het verbod die in artikel 10 AVG zelf worden gegeven, is de verwerking van bijzondere persoonsgegevens door de zoekmachine-exploitant als gevolg van het feit dat deze gegevens staan vermeld op een bronpagina waarnaar in de zoekresultatenlijst verwezen wordt, dus niet zonder meer verboden op grond van voornoemde bepaling.
4.15.
Uit het GC e.a./CNIL-arrest volgt dat de exploitant van een zoekmachine, na ontvangst van een verzoek tot verwijdering van een zoekresultaat met daarin een verwijzing naar een bronpagina waarop gevoelige gegevens zijn gepubliceerd, dient na te gaan op basis van alle relevante omstandigheden van het geval en gelet op de ernst van de inbreuk op de meergenoemde grondrechten van de betrokkene, of de opname van deze link in de resultatenlijst die wordt weergegeven na een zoekopdracht op de naam van deze persoon strikt noodzakelijk blijkt ter bescherming van de vrijheid van informatie van de internetgebruikers die mogelijk geïnteresseerd zijn in toegang tot de betreffende webpagina via een dergelijke zoekopdracht. Daarbij maakt de bijzondere gevoeligheid van bijzondere persoonsgegevens dat aan de zijde van het publiek sprake moet zijn van een zwaarwegend publiek belang bij toegang tot de informatie (Hof van Justitie, rechtsoverweging 68 van het GC e.a./CNIL-arrest). Ten aanzien van door media op internet beschikbaar gestelde (oude) berichtgeving over strafrechtelijke procedures heeft het Hof van Justitie, onder verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM, overwogen dat steeds moet worden gezocht naar een evenwicht tussen de verschillende conflicterende grondrechten. Het Hof heeft aangegeven dat bij het zoeken naar het juiste evenwicht rekening moet worden gehouden met de essentiële rol van de pers in een democratische samenleving, die mede inhoudt dat verslag wordt gedaan van en commentaar wordt gegeven op gerechtelijke procedures. Daarenboven gaat de functie van de media om dergelijke informatie en ideeën mede te delen samen met het recht van het publiek om deze te ontvangen. Het EHRM heeft in deze context erkend dat het publiek niet alleen een belang heeft om te worden geïnformeerd over een actuele gebeurtenis, maar ook om onderzoek te kunnen doen naar gebeurtenissen uit het verleden, met dien verstande dat de omvang van het belang van het publiek bij strafprocedures evenwel variabel is en met name afhankelijk van de omstandigheden van de zaak kan evolueren (Hof van Justitie, rechtsoverweging 76 van het GC e.a./CNIL-arrest).
4.16.
In het GC e.a./CNIL-arrest heeft het Hof van Justitie voorts nog nader overwogen dat in het kader van het verzoek tot verwijdering van links naar webpagina’s waarop informatie is gepubliceerd over een strafrechtelijke procedure die tegen iemand in het bijzonder is gevoerd, die betrekking heeft op een voorgaande fase van deze procedure en niet langer overeenkomen met de huidige situatie, het aan de exploitant van de zoekmachine is om te toetsen of deze persoon er recht op heeft dat de desbetreffende informatie in het huidige stadium niet langer wordt verbonden aan zijn naam op een resultatenlijst die wordt weergegeven na een op zijn naam verrichte zoekopdracht. Bij deze beoordeling moet de exploitant van de zoekmachine rekening houden met alle omstandigheden van de zaak, zoals onder meer de aard en de ernst van het betreffende strafbare feit, het verloop en de afloop van de strafrechtelijke procedure, de tijd die is verstreken, de rol die deze persoon in het openbare leven speelt en zijn gedrag in het verleden, het belang van het publiek ten tijde van het verzoek, de inhoud en de vorm van de publicatie en de repercussies ervan voor die persoon. Indien de exploitant niet tot verwijdering over gaat dient hij tenminste de zoekresultatenlijst zodanig te ordenen dat het algehele beeld dat hiermee voor de internetgebruiker wordt geschetst een afspiegeling vormt van de actuele gerechtelijke situatie (vergelijk Hof van Justitie, rechtsoverweging 77, 78 en 79 van het GC e.a./CNIL-arrest).
Inhoudelijke beoordeling
Kennelijk onjuiste informatie?
4.17.
[verzoeker] legt aan zijn verzoek allereerst ten grondslag dat het artikel waarnaar in de URL wordt verwezen meerdere onwaarheden over hem bevat. Hij doelt daarmee specifiek op de hiervoor onder 2.5 a tot en met f weergegeven passages en specificeert de gestelde onjuistheden als volgt:
ad a) er staat dat [verzoeker] twee veroordelingen vanwege opiumdelicten op zijn naam heeft staan, maar uit het bij het verzoekschrift gevoegde Overzicht Justitiële gegevens van 1 mei 2023 blijkt dat hij hiervoor éénmaal is veroordeeld;
ad b) er staat dat hij volgens de Belastingdienst tussen 2000 en 2007 geen legaal inkomen in Nederland had en dat er volgens de rechtbank sprake was van een redelijke verdenking van witwassen, maar [verzoeker] had inkomen uit vermogen, door de verhuur van onroerend goed, en is nooit voor witwassen veroordeeld of daarvan verdacht;
ad c) er staat dat in een beschikking uit 2014 van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam staat dat de administratie van [vakantiepark] in beslag is genomen. De administratie van [vakantiepark] in [plaats 1] waarin [naam 1] heeft geïnvesteerd is echter nooit in beslag genomen, de beschikking had betrekking op de administratie van [vakantiepark] te [plaats 2] ;
ad d) er staat dat [verzoeker] in 2015, voortvloeiend uit de witwasverdenking, tot in hoger
beroep is veroordeeld voor hypotheekfraude en gesjoemel met een salarisstrook rond [vakantiepark] , maar [verzoeker] is, zoals hiervoor al opgemerkt, nooit verdacht, vervolgd of veroordeeld voor witwassen en is in 2015 ook niet strafrechtelijk veroordeeld;
ad e) er staat dat er €125.000 aan dwangsommen is geïncasseerd in verband met door de gemeente Eindhoven opgelegde dwangsommen van 1 miljoen wegens vermeende gebreken aan de studentenhuizen, maar alleen bij zijn zakenpartner zijn dwangsommen geïncasseerd, nooit bij hem;
ad f) er staat dat in een beschikking uit 2014 van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam staat dat er een strafrechtelijk onderzoek naar hem is ingesteld inzake onttrekking van gelden aan de holding. Ook dit is onjuist. Het strafrechtelijk onderzoek had geen betrekking op onttrekking van gelden maar had te maken met verdenking van valsheid in geschrifte, die gepleegd zou zijn in 2011 en 2012, en de zaak is in 2017 geseponeerd wegens gebrek aan bewijs (parketnummer 01-879072-14). Er is dus nimmer sprake geweest van een verdenking van witwassen of van het onttrekken van gelden aan de B.V.
4.18.
Google betwist dat de hierboven opgesomde beweringen in het artikel onjuist zijn en volgens haar tonen de door [verzoeker] overgelegde bewijsstukken dit ook niet aan.
Voor zover er sprake zou zijn van onjuistheden zijn dat geen kennelijke onjuistheden of gaat het volgens Google om onjuistheden die een onbeduidend onderdeel van de publicatie betreffen.
4.19.
De rechtbank herhaalt dat geen buitensporige of onredelijke bewijslast opgelegd mag worden die het nuttig effect van het recht op verwijdering van links teniet kan doen. [verzoeker] hoeft daarom alleen bewijzen aan te leveren als, gelet op de omstandigheden van het geval, redelijkerwijs van hem kan worden verlangd dat hij ze opzoekt om die kennelijke onjuistheid aan te tonen. Het is niet nodig dat over de onjuistheid redelijkerwijs geen enkele twijfel bestaat. Het gaat erom dat degene die stelt dat een niet onbeduidend deel van de informatie kennelijk onjuist is, zijn standpunt aannemelijk maakt.
4.20.
Naar het oordeel van de rechtbank is [verzoeker] daarin niet geslaagd. Zij licht dit als volgt toe.
4.20.1.
Uit het overgelegde uittreksel van de Justitiële Documentatie blijkt dat [verzoeker] door de politierechter te ’s-Hertogenbosch op 12 oktober 2000 is veroordeeld voor twee afzonderlijke strafbare feiten, gepleegd op verschillende data. Deze strafbare feiten zijn: het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid aanhef en onder c Opiumwet gegeven verbod. [verzoeker] is dus veroordeeld voor twee Opiumwetdelicten in één veroordeling en niet in twee veroordelingen. Deze onjuistheid (klacht onder a) betreft naar het oordeel van de rechtbank een onbeduidend deel van de informatie in het artikel.
4.20.2.
De vermelding in het artikel dat [verzoeker] tussen 2000 en 2007 geen legaal inkomen in Nederland had en dat er volgens de rechtbank sprake was van een redelijke verdenking van witwassen (klacht onder b) is vrijwel letterlijk ontleend aan het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 31 juli 2015 waarin onder meer staat (pagina 4):
“Uit het Kadaster bleek dat verdachte [ [verzoeker] ] op dat moment eigenaar was van 46 objecten, met een totale aankoopwaarde van € 5.535.921,-, aangekocht tussen 1999 en 2008, dit terwijl uit gegevens van de belastingdienst niet bleek van een bekend legaal inkomen in de periode 2000 t/m 2007 (…)”en ook:
“De rechtbank oordeelt dat (…) genoegzaam blijkt van een redelijke verdenking ex artikel 27 Sv. jegens verdachte ter zake van witwassen.”.De bewering in het artikel dat [verzoeker] in 2015 strafrechtelijk is veroordeeld voor “hypotheekfraude en gesjoemel met een salarisstrook” (klacht onder d) is eveneens gebaseerd op dit vonnis. Daarin staat dat de rechtbank tot het oordeel komt dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte [ [verzoeker] ] “
in de periode van 01 februari 2005 tot en met 04 april 2005 in Nederland opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse salarisspecificatie (…) bij de aanvraag van een hypothecaire geldlening (…)”.De rechtbank heeft [verzoeker] hiervoor ook veroordeeld. Ook in hoger beroep bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch is [verzoeker] blijkens het uittreksel van de Justitiële Documentatie hiervoor veroordeeld, en wel bij arrest van 20 december 2016.
4.20.3.
Ook de vermelding in het artikel dat er een strafrechtelijk onderzoek naar [verzoeker] is ingesteld inzake het onttrekken van gelden aan de holding (klacht onder f) is gebaseerd op de inhoud van een rechterlijke uitspraak. Uit de beschikking van 8 mei 2014 van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam blijkt dat tegen [verzoeker] een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld en dat in dat kader de administratie van [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. onder [verzoeker] in beslag is genomen (r.o. 2.20). Verder blijkt uit die beschikking dat [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. hebben erkend dat [verzoeker] (en zijn broer) geld aan [bedrijfsnaam 1] hebben onttrokken en dat [verzoeker] niet heeft betwist dat de Holding facturen heeft betaald voor goederen en diensten die hem in privé zijn geleverd. (r.o. 3.11). Uit rechtsoverweging 3.12 van de beschikking volgt dat dit één van de redenen is voor de Ondernemingskamer om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van [verzoeker] Holding B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V., op grond waarvan een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de bovengenoemde vennootschappen is gelast. Van de kennelijke onjuistheid van de informatie waar klacht f op ziet, is dan ook niet gebleken.
4.20.4.
[verzoeker] wordt ook niet gevolgd in zijn standpunt dat in het artikel onwaarheden staan over de inning van dwangsommen (klacht onder e). [verzoeker] stelt dat de gemeente Eindhoven bij hem geen dwangsommen heeft geïnd, maar dat dit wél zou zijn gebeurd, wordt in het artikel ook niet beweerd of gesuggereerd. De advocaat van [verzoeker] heeft desgevraagd ter zitting bovendien verklaard dat het zou kunnen dat de dwangsommen wel aan [verzoeker] zijn opgelegd. Ook in zoverre is dus geen sprake van een kennelijke onjuistheid in het artikel.
4.20.5.
Ditzelfde geldt voor de bewering in het artikel over de administratie van [vakantiepark] (klacht onder c). De vermelding in het artikel dat er bij [vakantiepark] administratie in beslag is genomen, zonder dat daarbij de specifieke vestiging wordt genoemd, maakt deze weliswaar minder precies maar niet kennelijk onjuist. Los daarvan heeft de bewering over de administratie van [vakantiepark] geen betrekking op (verwerking van) persoonsgegevens van [verzoeker] als bedoeld in artikel 4 lid 1 AVG, zodat [verzoeker] geen beroep op de artikelen 17 en 21 AVG toekomt.
4.21.
De tussenconclusie luidt dan ook dat [verzoeker] er niet in is geslaagd relevante en afdoende bewijzen te overleggen van zijn stelling dat ten minste een niet onbeduidend deel van de informatie in de gelinkte inhoud kennelijk onjuist is.
Belangenafweging
4.22.
Nu niet is gebleken dat een niet onbeduidend deel van de publicatie onjuist is, kan Google in beginsel een beroep doen op het recht van vrijheid van informatie. Beoordeeld dient vervolgens te worden of de grondrechten van [verzoeker] op eerbiediging van zijn privéleven respectievelijk het recht op bescherming van persoonsgegevens zwaarder wegen dan, en dus voorrang hebben op, het economisch belang van Google en het gerechtvaardigde belang van de internetgebruikers die mogelijk toegang kunnen krijgen tot de desbetreffende zoekresultaten, mede gelet op de aard van de betrokken informatie en de gevoeligheid ervan voor het privéleven van [verzoeker] en van het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die [verzoeker] in het openbare leven speelt. Zoals hiervoor vermeld, moet daarbij rekening worden gehouden met een aantal relevante criteria, zoals de bijdrage aan een debat van algemeen belang, de bekendheid van de betrokkene, het onderwerp van het bericht, het eerdere gedrag van de betrokkene, de inhoud, de vorm en de gevolgen van de publicatie, de wijze waarop en de omstandigheden waarin de informatie is verkregen en de waarachtigheid ervan.
4.23.
In geval van strafrechtelijke gegevens (lees: gevoelige gegevens als bedoeld in artikel 10 AVG) moet op basis van alle relevante elementen van het geval en gelet op de ernst van de inbreuk op de in artikel 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrechten van de betrokkene op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens, om de redenen van algemeen zwaarwegend belang als bedoeld in artikel 9 lid 2, onder g AVG, en onder eerbiediging van de in deze bepaling bedoelde voorwaarden, worden nagegaan of de opname van de koppelingen in de resultatenlijst strikt noodzakelijk blijkt ter bescherming van het recht op vrijheid van informatie (HvJ EU 24 september 2019, C-136/17).
4.24.
Toepassing van dit toetsingskader leidt tot de conclusie dat het recht op vrije meningsuiting en informatievrijheid van Google en van derden zwaarder weegt dan het recht op privacy en bescherming van persoonsgegevens van [verzoeker] . Voor dat oordeel is het volgende redengevend.
4.25.
In het artikel staan strafrechtelijke gegevens over [verzoeker] . Volgens [verzoeker] doet het artikel het lijken alsof hij een beroepscrimineel is, terwijl uit de justitiële informatie over hem blijkt dat de informatie zeer oud is en ziet op lichte vergrijpen waarbij geen geweld is gebruikt. Die informatie is daarom volgens hem niet van belang voor het publiek.
4.26.
Google brengt daar tegenin dat het wel van belang is dat internetgebruikers via de URL kennis kunnen nemen van deze informatie. Het artikel dateert uit 2022 en de daarin opgenomen strafrechtelijke informatie over [verzoeker] is nog steeds relevant, ook al stammen de veroordelingen uit het verleden, omdat dit inzicht geeft over de wijze waarop [verzoeker] zijn zaken doet, aldus Google.
4.27.
De rechtbank volgt Google in haar betoog. Het artikel waarnaar de URL verwijst is van redelijk recente datum, is feitelijk van aard en betreft een maatschappelijk bijzonder relevant onderwerp: de integriteit van het openbaar bestuur. Het artikel gaat erover dat de beheerder van een investeringsfonds van de provincie Limburg mogelijk kwetsbaar of chantabel is omdat hij ruim een miljoen euro eigen geld heeft geïnvesteerd in een volgens het artikel omstreden vakantiepark waarbij [verzoeker] was betrokken. Door dit onderwerp vormt het artikel een belangrijke bijdrage aan een debat van algemeen belang. Hiervoor is al vastgesteld dat niet is gebleken dat het artikel onjuistheden bevat die een beduidend onderdeel van de publicatie betreffen. Het artikel bevat onder meer informatie over veroordelingen van [verzoeker] voor valsheid in geschrifte (hypotheekfraude) en het opzettelijk overtreden van de Opiumwet, waarover [verzoeker] zelf heeft verklaard dat dit te maken had met panden waarvoor hij zakelijk als bemiddelaar optrad. Hypotheekfraude en de opiumwetdelicten zijn ernstige misdrijven en kunnen, anders dan [verzoeker] meent, in redelijkheid niet worden aangemerkt als “lichte vergrijpen”. Deze informatie heeft te maken met [verzoeker] professionele activiteiten als vastgoedondernemer en zijn professionele integriteit. Omdat [verzoeker] nog steeds als vastgoedondernemer werkzaam is, is de informatie over zijn met dat beroep samenhangende strafrechtelijke veroordelingen uit het verleden nog steeds relevant, ook al zijn deze niet recent, zijn de boetes betaald en de proeftijden voorbij. Een vastgoedondernemer speelt door zijn professie een belangrijke rol in het openbare leven. De rechtbank volgt Google in haar standpunt dat bestaande of toekomstige potentiële zakenrelaties van [verzoeker] daarom de mogelijkheid moeten hebben een eigen afweging te maken of zij met hem zaken willen doen, waarbij de thans voorhanden zijnde informatie op het internet een relevante factor kan en mag zijn.
4.28.
Dat het artikel niet over [verzoeker] gaat maar over [naam 1] en zijn strafrechtelijk verleden in het artikel alleen wordt gebruikt om te duiden dat [naam 1] zich kwetsbaar maakt door te investeren in een vakantiepark waarvan de woordvoerder een strafrechtelijk verleden heeft, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank deelt niet het standpunt van [verzoeker] dat in het artikel wordt gesuggereerd dat hij onbetrouwbaar en crimineel is op grond van het feit dat zijn broer een crimineel verleden heeft en dat hij in het verleden vastgoedzaken heeft gedaan met de heer [naam 2] die later is veroordeeld voor crimineel handelen. Dit zijn daarom geen omstandigheden die in het voordeel van [verzoeker] meewegen bij de belangenafweging.
4.29.
Gelet op de hiervoor besproken zwaarwegende belangen aan zijde van Google en gebruikers om de URL niet te blokkeren, weegt het belang van [verzoeker] dat zakenrelaties en privé-contacten geen kennis kunnen nemen van zijn strafrechtelijk verleden minder zwaar. [verzoeker] heeft daartegenover onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat de invloed die URL naar de gewraakte informatie heeft op zijn privéleven en bedrijfsvoering zodanig ernstig is dat daarvoor het publieke belang om relevante informatie te vinden en het belang van de bron om de informatie te publiceren zou moeten wijken.
Conclusie
4.30.
De conclusie uit het voorgaande is dat aan de zijde van Google en de door haar bediende internetgebruikers sprake is van een gerechtvaardigd belang en noodzaak van de verwerking van de persoonsgegevens en een belangenafweging ertoe leidt dat het recht op privacy en bescherming van persoonsgegevens van [verzoeker] niet zwaarder weegt dan het recht op vrije meningsuiting en informatievrijheid van Google en van derden. Dat betekent dat Google een beroep op de grondslag van artikel 6 lid 1 onder f) AVG toekomt en dat zij de URL in de door haar zoekmachine gevonden resultaten niet hoeft te blokkeren. Het verzoek van [verzoeker] zal dan ook worden afgewezen.
Proceskosten
4.31.
De rechtbank veroordeelt [verzoeker] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten, op basis van het gebruikelijke liquidatietarief. Deze kosten worden begroot op:
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten x tarief II € 614)
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.120,00

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst het verzoek af;
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van Google, begroot op € 2.120,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en deze beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoeker] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2025.
type: 3051

Voetnoten

1.Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), 13 mei 2014, C-131/12