Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:16344

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2025
Publicatiedatum
2 september 2025
Zaaknummer
09/383556-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot vergoeding kosten raadsman na sepot wegens witwassen

De verzoeker werd verdacht van witwassen, maar de zaak eindigde in een sepot wegens onvoldoende bewijs. Na ruim tweeënhalf jaar na het sepot diende de verzoeker een verzoek in op grond van artikel 530 Sv Pro tot vergoeding van kosten van zijn raadsman.

De rechtbank behandelde het verzoek zonder aanwezigheid van de verzoeker en zijn raadsman. Er werd vastgesteld dat het grootste deel van de kosten betrekking had op werkzaamheden tot oktober 2022, maar dat deze pas na het sepot in 2025 werden gefactureerd. Dit wekte de vraag op of er sprake was van een 'no win, no fee'-afspraak waarbij het uurtarief hoger werd bij sepot of vrijspraak.

De rechtbank oordeelde dat dergelijke succesprijsafspraken niet verenigbaar zijn met de vergoedingsplicht van de Staat en dat deze daarom buiten beschouwing moeten blijven. Omdat de tariefafspraken niet waren verduidelijkt, matigde de rechtbank het uurtarief naar billijkheid tot €225 per uur en stelde de vergoeding vast op €2.850 voor de rechtsbijstand plus €340 voor het indienen van het verzoek.

De rechtbank wees het verzoek tot een hogere vergoeding af en beval de betaling van €3.190 ten laste van de Staat aan de verzoeker. Hiermee wordt voorkomen dat de Staat meer betaalt dan een cliënt bij veroordeling, wat in strijd zou zijn met het systeem van artikel 530 Sv Pro.

Uitkomst: De rechtbank kent een vergoeding van €3.190 toe aan de verzoeker ten laste van de Staat.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Parketnummer: 09/383556-24
Raadkamernummer: 25-006891
Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het verzoek ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[de verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 te [woonplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. S.F.J. Bergmans, advocaat te Sittard, Paardestraat 29, 6131 HA Sittard,
(hierna: de verzoeker).

Inleiding

Tegen de verzoeker is de verdenking gerezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De zaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel. Het Openbaar Ministerie heeft op 13 februari 2025 een kennisgeving sepot verzonden, er was onvoldoende bewijs. De rechtbank heeft op 17 maart 2025 het verzoekschrift van de verzoeker ontvangen en is bevoegd tot behandeling van het verzoek.

De procedure in raadkamer

De rechtbank heeft dit verzoek op 8 juli 2025 in openbare raadkamer behandeld en heeft kennis genomen van (een deel van) het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.
De verzoeker en mr. S.F.J. Bergmans zijn - hoewel beiden daartoe goed opgeroepen - niet in raadkamer verschenen.

Het verzoek

Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van in totaal € 5.601,90 voor:
  • de kosten van de raadsman in de strafzaak met het hiervoor genoemde parketnummer; door de verzoeker is een factuur van mr. S.F.J. Bergmans overgelegd tot een bedrag van € 4.919,90;
  • de kosten van een raadsman voor het opstellen en indienen van onderhavig verzoekschrift tot een bedrag van € 340,-.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het verzoek kan worden toegewezen.

Het oordeel van de rechtbank

Aan de gewezen verdachte kan een vergoeding worden toegekend voor werkelijke schade als gevolg van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting. Ook kan een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman, inclusief kosten voor bijstand tijdens de verzekering en de voorlopige hechtenis, behalve als de raadsman was toegevoegd.
De toekenning van een schadevergoeding heeft steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De rechtbank constateert dat er werkzaamheden zijn verricht tot en met 13 oktober 2022. De kosten van die werkzaamheden belopen een aanzienlijk bedrag en vormen het overgrote deel van de thans verzochte vergoeding. De rechtbank constateert echter ook dat die kosten tussen de laatste werkzaamheden (13 oktober 2022) en het moment van sepot niet bij de verzoeker in rekening zijn gebracht. De kosten zijn eerst gefactureerd na het sepot op 13 februari 2025.
De combinatie van de hoogte van die kosten en het pas declareren drie jaar later roept de vraag op of er ‘no win, no fee’-afspraken zijn gemaakt in die zin dat bij sepot of vrijspraak een hoger uurtarief geldt dan bij veroordeling. In algemenere zin rechtvaardigen de omstandigheden de vraag welk tarief en/of tarieven is/zijn overeengekomen aan het begin van de dienstverlening.
De kernvraag in procedures als de onderhavige is in hoeverre de schade die een gewezen verdachte lijdt ten laste van de Staat moet komen. Het in rekening brengen van een hoger uurtarief bij succes (sepot/vrijspraak) verhoudt zich daar moeizaam mee. Door dergelijke prijsafspraken ontstaat in strafzaken immers de situatie dat de Staat bij een sepot of vrijspraak voor dezelfde werkzaamheden (aanzienlijk) meer betaalt dan de cliënt bij een veroordeling. Een onderscheid tussen ‘no win, no fee’-afspraken in civiele zaken en in strafzaken is eveneens gerechtvaardigd. In civiele zaken zijn de kosten die de wederpartij moet betalen gelimiteerd door een forfaitair stelsel en hebben succes-prijsafspraken daar geen invloed op, terwijl het in strafzaken om een integrale vergoeding van de kosten gaat en dergelijke afspraken daardoor van grote invloed zijn op het bedrag dat de Staat moet vergoeden.
Afspraken die inhouden dat de cliënt bij succes (sepot/vrijspraak) een hoger tarief betaalt dan bij veroordeling zijn niet verenigbaar met de vergoedingsplicht van de Staat op grond van artikel 530 Sv Pro. en moeten derhalve bij de beoordeling van een dergelijk schadevergoedingsverzoek buiten beschouwing blijven. Een op die manier overeengekomen tarief kan geen basis zijn voor de bepaling van de hoogte van de vergoeding.
Dat maakt dat de opgekomen vraag relevant is voor de beoordeling van het verzoek.
Hoewel er geen kanttekeningen zijn bij de geschreven uren kan door de vraag over de tariefafspraken de redelijkheid van het verzochte nu niet worden beoordeeld. Een opdrachtbevestiging had die duidelijkheid wellicht verschaft.
Aangezien de raadsman bekend was met de omstandigheid dat er vragen waren, maar niet in raadkamer is verschenen, is voor aanhouding van de behandeling van het verzoekschrift geen grond. Nu de vragen over het gehanteerde uurtarief onbeantwoord zijn gebleven, zal de rechtbank naar billijkheid een uurtarief van € 225,- hanteren en de toe te wijzen kosten voor rechtsbijstand matigen tot een bedrag van in totaal € 2.850,-.
De rechtbank acht voorts gronden van billijkheid aanwezig om de verzoeker voor de kosten van indiening van bovengenoemd verzoek ex artikel 530 Sv Pro het gebruikelijke bedrag van
€ 340,- toe te kennen.

Beslissing

De rechtbank kent aan de verzoeker toe ten laste van de Staat een bedrag van in totaal € 3.190,- (zegge: drieduizend honderdnegentig euro) en wijst af het anders of meer verzochte.
Aldus gedaan te Den Haag door mr. G.H.M. Smelt, rechter, in tegenwoordigheid van mrs. F.A.M. Schuijt en L. Molenaar, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juli 2025.

BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing en mitsdien de betaling ten laste van de Staat der Nederlanden door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van:
€ 3.190,- (zegge: drieduizend honderdnegentig euro), ten gunste van de verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer NL90 RABO 0129 7000 45, ten name van Bergmans advocaten B.V., onder vermelding van ‘schadevergoeding Pelle'.