Eiser heeft zich gedurende 12 dagen onttrokken aan het toezicht van de autoriteiten, waarna de minister op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening de overdrachtstermijn heeft verlengd. De rechtbank oordeelt dat sprake is van onderduiken omdat eiser doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten bleef, ondanks dat er nog geen overdrachtsdatum was gepland en hij feitelijk niet overdraagbaar was vanwege een voorlopige voorziening.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 12 juni 2025 vertrok zonder de autoriteiten te informeren en niet aanwezig was bij de kamercontrole. Zijn stelling dat hij zich had verslapen en zich later gemeld had, wordt niet gevolgd vanwege gebrek aan bewijs. De minister heeft eiser adequaat geïnformeerd over zijn verplichtingen.
De rechtbank benadrukt dat het ontbreken van een geplande overdracht of feitelijke overdraagbaarheid geen belemmering vormt voor het verlengen van de termijn. De minister mocht aannemen dat eiser door zijn handelen de overdracht verhinderde. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.