ECLI:NL:RBDHA:2025:16376
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Pakistan
Eiseres, van Pakistaanse nationaliteit, verzocht om een visum kort verblijf om haar echtgenoot in Nederland te bezoeken en zich voor te bereiden op het inburgeringsexamen. De minister weigerde het visum omdat eiseres onvoldoende sociale en economische binding met Pakistan kon aantonen, waardoor twijfel bestond over haar terugkeer.
De rechtbank overwoog dat de minister een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij visumaanvragen en dat eiseres onvoldoende bewijs leverde van haar binding met Pakistan. Hoewel zij familie in Pakistan heeft, is niet gebleken dat zij voor hen zorgt of verplichtingen heeft die haar terugkeer afdwingen. Ook haar werkloosheid versterkte de twijfel over haar economische binding.
Eiseres stelde dat de minister de hoorplicht schond door haar niet te horen in de bezwaarprocedure. De rechtbank oordeelde dat de minister mocht afzien van een hoorzitting omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was en eiseres geen nieuwe bewijsstukken had ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de afwijzing van het visum en wees het verzoek om griffierecht en proceskostenvergoeding af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard en de aanvraag blijft afgewezen.