Op 5 januari 2025 veroorzaakte de medeverdachte een explosie bij een café in Den Haag, waarbij gemeen gevaar voor goederen ontstond. De verdachte speelde een coördinerende en essentiële rol door het explosief te overhandigen, instructies te geven en aanwezig te zijn bij de ontploffing. De rechtbank kwalificeerde dit als medeplegen.
De verdachte bekende het feit en de rechtbank achtte de bewezenverklaring wettig en overtuigend. De officier van justitie vorderde een jeugddetentie van 12 maanden, deels voorwaardelijk, terwijl de verdediging pleitte voor een werkstraf naast het reeds ondergane voorarrest.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een positief rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, en het strafblad. De verdachte kreeg een jeugddetentie van 150 dagen, waarvan 34 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 30 uur. Bij niet-naleving van de werkstraf geldt vervangende jeugddetentie van 15 dagen.
De bijzondere voorwaarden omvatten meldplicht bij jeugdbescherming, avondklok en begeleiding, bedoeld om recidive te voorkomen en structuur te bieden. De voorlopige hechtenis werd in mindering gebracht op de onvoorwaardelijke straf.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer jeugdstrafzaken van de rechtbank Den Haag op 28 augustus 2025.