Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De rechtbank stelt vast dat de minister de beslistermijn heeft overschreden en dat eiser de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. Het beroep is daarom gegrond verklaard.
De rechtbank wijst het verzoek van de minister tot aanhouding van het beroep af, omdat dit de prikkel tot voortvarend beslissen wegneemt. De rechtbank legt aan de minister een beslistermijn van acht weken op, met de mogelijkheid tot een verlenging tot twintig weken indien nader onderzoek wordt aangekondigd. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd, met een maximum van €15.000.
Daarnaast moet de minister het door eiser betaalde griffierecht vergoeden en een proceskostenvergoeding van €453,50 betalen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en partijen hebben geen zitting verzocht.