ECLI:NL:RBDHA:2025:16445

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 september 2025
Publicatiedatum
4 september 2025
Zaaknummer
NL24.51618
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskosten na niet tijdig beslissen op verblijfsaanvragen

Verzoekers hebben op 24 december 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvragen om machtigingen tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid. De minister van Asiel en Migratie heeft op 1 mei 2025 alsnog een besluit genomen en de aanvragen afgewezen. Vervolgens hebben verzoekers het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat de minister door het alsnog nemen van een besluit hangende het beroep geheel tegemoet is gekomen aan het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Op grond van artikel 8:75a van de Awb kan de rechtbank in dat geval de proceskosten toewijzen.

De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van €453,50, gebaseerd op een puntensysteem voor beroepsmatige rechtsbijstand. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de minister op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb verplicht is het griffierecht van €187 te vergoeden, waarvoor verzoekers zich rechtstreeks tot de minister moeten wenden.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten van €453,50 wegens niet tijdig beslissen op verblijfsaanvragen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51618

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker 1],

V-nummer: [V-nummer 1]
[verzoeker 2],
V-nummer: [V-nummer 2]
[verzoeker 3]
V-nummer: [V-nummer 3]
[verzoeker 4]
V-nummer: [V-nummer 4]
[verzoeker 5]
V-nummer: [V-nummer 5]
[verzoeker 6]
V-nummer: [V-nummer 6]
samen: verzoekers
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben op 24 december 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvragen om verlening van machtigingen tot voorlopig verblijf in het kader van verblijf als familie- of gezinslid voor verblijf bij [referent] (referent).
Bij besluit van 1 mei 2025 heeft verweerder de aanvragen van verzoekers afgewezen.
Verzoekers hebben het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [3] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvragen van verzoekers heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel aan het beroep tegen het niet tijdig beslissen van verzoekers tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 907 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
4. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht van € 187 te vergoeden. Verzoekers zullen zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan op 3 september 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.