De rechtbank Den Haag behandelde op 1 september 2025 het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie op 5 augustus 2025 had opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, een Marokkaanse asielzoeker, betwistte dat de maatregel rechtmatig was opgelegd en voerde aan dat hij onterecht in bewaring was gesteld en dat een lichter middel had moeten worden toegepast.
De rechtbank overwoog dat de minister de maatregel van bewaring mocht baseren op de zware gronden dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen en zich onttrokken had aan het toezicht door Europa niet te verlaten na een terugkeerbesluit. Eiser had geen identiteitsdocumenten en had verklaard illegaal met de boot naar Spanje te zijn gereisd. Ook was het terugkeerbesluit aan eiser uitgereikt, maar hij had hieraan geen gehoor gegeven.
De rechtbank vond dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstond, gezien het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats, het ontbreken van melding bij binnenkomst en het ontbreken van een geldig identiteitsbewijs. Ambtshalve toetsing wees uit dat de bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet onrechtmatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.