De minister van Asiel en Migratie legde op 10 juli 2025 een terugkeerbesluit op aan verzoeker, waarmee werd vastgesteld dat verzoeker niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en binnen vier weken Nederland en het EU-gebied moet verlaten. Verzoeker stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening om de gevolgen van het terugkeerbesluit op te schorten.
De voorzieningenrechter besloot zonder zitting en met spoed te handelen vanwege de dreigende onomkeerbare gevolgen. Omdat de bevriezingsmaatregel op 4 september 2025 zou eindigen en verzoeker vanaf die datum niet meer mocht werken, werd het terugkeerbesluit bij ordemaatregel geschorst tot de einduitspraak over de voorlopige voorziening.
Dit betekent dat verzoeker niet mag worden uitgezet, recht houdt op opvang en verstrekkingen, en werkzaamheden mag verrichten zonder tewerkstellingsvergunning totdat de zaak inhoudelijk is beslist. Een definitieve beoordeling van het beroep volgt later. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.