Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hem in bewaring te stellen op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2025 behandeld en beoordeelt of de minister bevoegd was tot het opleggen van de maatregel.
De minister baseerde de bewaring op zware gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het niet meewerken aan het vaststellen van identiteit, alsmede lichte gronden zoals het niet naleven van verplichtingen en het ontbreken van vaste verblijfplaats. Eiser betwistte enkele gronden, maar de rechtbank achtte de niet betwiste zware gronden voldoende voor de maatregel.
Eiser voerde aan dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede vanwege onduidelijkheid over een aangevraagde laissez-passer. De rechtbank oordeelde dat dit beroep niet slaagt, omdat de aanvraag recent is gedaan en er geen aanwijzingen zijn dat de procedure niet wordt voortgezet. De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is en wijst het verzoek om schadevergoeding af.