ECLI:NL:RBDHA:2025:16609

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 september 2025
Publicatiedatum
8 september 2025
Zaaknummer
NL25.40062
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding

De rechtbank Den Haag heeft op 8 september 2025 het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring beoordeeld die de minister van Asiel en Migratie op 22 augustus 2025 aan eiser heeft opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Tevens werd het beroep aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Eiser voerde aan dat het proces-verbaal van bevindingen niet aan hem was uitgereikt, waardoor de motivering van de maatregel onvoldoende kenbaar was. De rechtbank oordeelde dat dit niet tot benadeling had geleid, omdat de bewaring uitsluitend was gebaseerd op de zware gronden 3b, 3c en 3i, en niet op grond 3e die abusievelijk was genoemd.

Eiser betwistte de zware gronden, met name dat hij zich aan toezicht had onttrokken en niet aan zijn verplichting tot terugkeer had voldaan. De rechtbank stelde vast dat op 30 juni 2025 een verwijderingsbesluit was uitgereikt en dat eiser hieraan niet had voldaan, en dat hij voorafgaand aan de inbewaringstelling had verklaard niet mee te willen werken aan terugkeer.

Verder voerde eiser aan dat voorafgaand aan de bewaring onderzocht had moeten worden of het openbaar ministerie bezwaar had tegen uitzetting. De rechtbank oordeelde dat bezwaar van het openbaar ministerie een voorwaarde is voor uitzetting, niet voor bewaring, en dat inmiddels expliciet is bevestigd dat geen bezwaar bestaat.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was opgelegd, het beroep ongegrond is en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40062

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 22 augustus 2025, waarin de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een beeldverbinding), bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister eiser in bewaring mocht stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
3. Het beroep is ongegrond. De minister heeft terecht de maatregel van bewaring opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Had het proces-verbaal van bevindingen van 22 augustus 2025 ook aan eiser uitgereikt moeten worden?
4. Eiser voert aan dat het proces-verbaal van bevindingen van 22 augustus 2025 ten onrechte niet aan hem is uitgereikt. Dit had wel gemoeten omdat hiermee de motivering van de maatregel van bewaring is gewijzigd. Ter zitting is ook gebleken dat het eiser niet duidelijk was dat grond 3e niet aan de maatregel ten grondslag ligt. Daaruit blijkt ook dat de motivering van de maatregel hem onvoldoende kenbaar was. Ook zijn gemachtigde heeft van het proces-verbaal van bevindingen pas na het instellen van beroep kennis kunnen nemen en heeft dit nog niet uitgebreid met eiser kunnen bespreken.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Op pagina 1 van de maatregel staat weliswaar genoemd dat onder meer de zware grond 3e aan de maatregel ten grondslag is gelegd, maar alleen de zware gronden 3b, 3c en 3i zijn voorzien van een toelichting. Uit de stukken blijkt dat de maatregel aan eiser is uitgereikt in de Roemeense taal. Daarin zijn, voor wat betreft de zware gronden, alleen 3b, 3c en 3i aangekruist en de zware grond 3e dus niet. Aan eiser is dus kenbaar gemaakt dat deze grond niet aan de maatregel ten grondslag was gelegd en dat dit alleen was vanwege de andere zware, en een aantal lichte, gronden. Er valt daarom niet in te zien dat daarover verwarring kan zijn ontstaan. In het proces-verbaal is opgetekend dat de grond 3e abusievelijk is genoemd, zoals ook al te begrijpen viel uit de omstandigheid dat deze grond in de maatregel niet was toegelicht. Niet valt in te zien dat eiser, door de omstandigheid dat dit proces-verbaal niet aan hem is uitgereikt, is benadeeld of in zijn belangen is geschaad. Er is immers, zoals gezegd, aan eiser nooit medegedeeld dat die grond aan de bewaring ten grondslag lag.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), [1] als zware gronden vermeld dat eiser
  • (3b) zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • (3c) eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
  • (3i) te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser
  • (4a) zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
  • (4c) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • (4d) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5.1.
Eiser betwist zware grond 3b. Ook betwist eiser de grond dat hij geen gevolg heeft gegeven aan zijn verplichting tot terugkeer. Eiser verwijst daarvoor naar wat hij in het vertrekgesprek heeft verklaard en op de omstandigheid dat hij zelf een kopie van zijn identiteitsdocument heeft verstrekt om zo een aanvraag voor een laissez-passer mogelijk te maken.
5.2.
Wat eiser aanvoert geeft geen aanleiding om de gronden van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat de zware gronden 3c en 3i feitelijk juist zijn. Uit de stukken blijkt namelijk dat op 30 juni 2025 aan eiser een verwijderingsbesluit is uitgereikt. In dit verwijderingsbesluit staat dat eiser Nederland binnen een maand moet verlaten. Ook blijkt uit de stukken dat eiser hieraan niet heeft voldaan. Verder blijkt uit de stukken dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij niet wil meewerken aan terugkeer naar Roemenië. Dat betekent dat ook grond 3i feitelijk juist is. Dat eiser inmiddels een kopie van een identiteitsdocument heeft overlegd en uit het vertrekgesprek van 26 augustus 2025 is af te leiden dat eiser kenbaar heeft gemaakt wel te willen meewerken aan een terugkeer naar Roemenië doet er niet aan af dat dit ten tijde van het opleggen van de maatregel niet het geval was.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
6. Eiser voert aan dat voorafgaand aan het opleggen van de maatregel moet vaststaan of eiser uitgezet kan worden en in dat kader voorafgaand aan het opleggen van de maatregel onderzocht had moeten worden of het openbaar ministerie bezwaar heeft tegen uitzetting van eiser naar Roemenië. Dat is in deze zaak pas gebeurd op 1 september 2025. Bovendien is ook de manier waarop dit is gebeurd niet juist. De minister gaat er namelijk vanuit dat als hij niets hoort, het openbaar ministerie geen bezwaar heeft, maar daarmee staat nog niet vast dat er bij het openbaar ministerie geen beletsel bestaat tegen uitzetting van eiser.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft er terecht op gewezen dat het vaste rechtspraak is van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het ontbreken van bezwaar bij het openbaar ministerie een voorwaarde is voor uitzetting en niet voor bewaring. Pas bij het bekend zijn met een uitzettingsdatum moet contact worden gezocht met het openbaar ministerie. [2] Vast staat dat een uitzettingsdatum in het geval van eiser nog niet bekend is. Verder heeft de minister ter zitting onbetwist gesteld dat inmiddels een bericht is ontvangen van het openbaar ministerie waarin expliciet wordt aangegeven dat zij geen bezwaar hebben tegen uitzetting van eiser naar Roemenië.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3] Er is ook gesteld noch gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering. [4]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inbewaringstelling van eiser rechtmatig is en de minister geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten van eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.In het bijzonder artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb 2000.
2.Zie bijvoorbeeld ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4219.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.
4.Zie HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.