De rechtbank Den Haag heeft op 8 september 2025 het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring beoordeeld die de minister van Asiel en Migratie op 22 augustus 2025 aan eiser heeft opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Tevens werd het beroep aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Eiser voerde aan dat het proces-verbaal van bevindingen niet aan hem was uitgereikt, waardoor de motivering van de maatregel onvoldoende kenbaar was. De rechtbank oordeelde dat dit niet tot benadeling had geleid, omdat de bewaring uitsluitend was gebaseerd op de zware gronden 3b, 3c en 3i, en niet op grond 3e die abusievelijk was genoemd.
Eiser betwistte de zware gronden, met name dat hij zich aan toezicht had onttrokken en niet aan zijn verplichting tot terugkeer had voldaan. De rechtbank stelde vast dat op 30 juni 2025 een verwijderingsbesluit was uitgereikt en dat eiser hieraan niet had voldaan, en dat hij voorafgaand aan de inbewaringstelling had verklaard niet mee te willen werken aan terugkeer.
Verder voerde eiser aan dat voorafgaand aan de bewaring onderzocht had moeten worden of het openbaar ministerie bezwaar had tegen uitzetting. De rechtbank oordeelde dat bezwaar van het openbaar ministerie een voorwaarde is voor uitzetting, niet voor bewaring, en dat inmiddels expliciet is bevestigd dat geen bezwaar bestaat.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was opgelegd, het beroep ongegrond is en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.