Art. 8 EVRMArt. 29, tweede lid, onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 4:84 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:57, eerste lid, Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens niet aannemelijke feitelijke gezinsband
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende man, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij zijn echtgenote die reeds in Nederland verbleef. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser en referente onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij een feitelijke gezinsband hadden op het moment van binnenkomst van referente in Nederland.
De rechtbank overweegt dat verweerder terecht oordeelde dat de feitelijke gezinsband niet aannemelijk was, gelet op verklaringen van referente dat zij voor haar inreis nauwelijks contact had met eiser en dat zij elkaar niet goed kennen. De stellingen van eiser over een liefdesrelatie en dagelijks telefonisch contact konden dit oordeel niet wijzigen.
Eisers beroep dat verweerder onvoldoende rekening hield met bijzondere omstandigheden en het EVRM-artikel 8 werdPro verworpen. Hoewel verweerder een motiveringsgebrek vertoonde door niet individueel toe te lichten waarom hij niet ambtshalve toetst aan artikel 8 EVRMPro, leidde dit niet tot schending van belangen omdat verweerder handelde volgens een vaste gedragslijn.
De rechtbank oordeelde ook dat de hoorplicht niet was geschonden en verklaarde het beroep ongegrond. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33276
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 juni 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 juli 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten een zitting niet nodig te vinden en heeft gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1978 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft op 23 juni 2022 een aanvraag gedaan voor een mvv in het kader van nareis voor verblijf bij zijn echtgenote [referente] (hierna: referente).
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser en referente niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake was van een feitelijke gezinsband tussen hen op het moment dat referente Nederland inreisde. Eiser en referente hebben, volgens verweerder, onvoldoende invulling gegeven aan hun gestelde huwelijk.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser en referente geen of onvoldoende invulling hebben gegeven aan hun huwelijk. Eiser en referente hadden een liefdesrelatie voordat referente aankwam in Nederland in november 2021. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met bijzondere feiten en persoonlijke omstandigheden. Eiser en referente wonen momenteel grotendeels samen, en als de mogelijkheid zich voor had gedaan waren zij al eerder samen gaan wonen. Referente en eiser hebben ook een kinderwens. Nu het niet lukt om op natuurlijke wijze zwanger te worden, willen zij een ivf-traject opstarten maar dit kan momenteel niet omdat eiser niet officieel woonachtig is en staat ingeschreven in Nederland. Verder is het bestreden besluit in strijd met artikel 8 vanPro het EVRM [2] . Tot slot heeft verweerder eiser ten onrechte niet gehoord in de bezwaarprocedure en het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Tussen eiser en verweerder is niet in geschil dat sprake is van een rechtsgeldig huwelijk tussen eiser en referente. Wel in geschil is of verweerder eisers aanvraag heeft mogen afwijzen omdat de feitelijke gezinsband tussen eiser en referente niet aannemelijk is gemaakt.
Feitelijke gezinsband
6. Aan de echtgenoot van iemand met een verblijfsvergunning asiel kan een afgeleide asielvergunning worden verleend indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de referent in Nederland behoorde tot diens gezin. [3] De bewijslast om de feitelijke gezinsband aannemelijk te maken rust op eiser en referente. [4]
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser en referente hun feitelijke gezinsband niet aannemelijk hebben gemaakt, gelet op de verklaringen van referente dat zij voor december 2020 geen contact had met eiser, zij hem voor haar inreis in Nederland enkel twee weken heeft gezien in Duitsland toen hun religieuze huwelijk werd gesloten, en dat zij elkaars leven niet kennen. De stellingen in het beroepschrift dat eiser en referente elke dag telefonisch contact zouden hebben gehad en een liefdesrelatie hadden en hebben, ook voorafgaand aan de inreis van referente in Nederland, maakt het oordeel niet anders. Referente heeft immers in het gehoor van 2 mei 2023 verklaard op de vraag of verweerder nog iets moest weten over haar partner dat zij het zelf niet eens weet en dat zij eiser nog moet leren kennen als hij naar Nederland komt, waaruit niet kan worden afgeleid dat zij toen invulling gaven aan hun liefdesrelatie of huwelijk.
Evenredigheid
7. De beroepsgrond van eiser dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met bijzondere feiten en omstandigheden, slaagt niet. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond als een beroep op artikel 4:84 vanPro de Awb waaruit volgt dat verweerder af kan wijken van zijn beleid indien het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Artikel 4:84 vanPro de Awb geeft verweerder echter niet de bevoegdheid om af te wijken van een wettelijk vereiste, in dit geval het in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw neergelegde vereiste dat een vreemdeling op het moment van binnenkomst van de desbetreffende referent tot diens gezin behoort.
8. De hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat verweerder in elke nareiszaak deugdelijk moet motiveren waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om te beoordelen of een aanvrager in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 vanPro het EVRM of een mvv met het oog op die vergunning. [5] Verweerder kan voor die motivering verwijzen naar het toepasselijke beleid als hij daarin heeft toegelicht waarom hij in bepaalde gevallen geen gebruik maakt van deze bevoegdheid of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik maakt.
8.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar verouderde rechtspraak van de hoogste bestuursrechter en aangegeven dat hij in nareiszaken niet hoeft te toetsen aan artikel 8 vanPro het EVRM. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat er een reguliere procedure bestaat voor de aanvraag en dat verweerder deze procedure niet wil overslaan door direct aan artikel 8 vanPro het EVRM te toetsen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze algemene motivering niet in eisers individuele geval heeft toegelicht waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om door te toetsen aan artikel 8 vanPro het EVRM. Ook heeft verweerder niet verwezen naar toepasselijk beleid. Daarom is sprake van een motiveringsgebrek. In het verweerschrift is gesteld dat de vraag of weigering om eiser in het bezit te stellen van een mvv strijdig is met artikel 8 vanPro het EVRM niet binnen het kader van de nareisprocedure valt. Hiermee heeft verweerder ook niet nader gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om ambtshalve te toetsen aan artikel 8 vanPro het EVRM. De rechtbank ziet echter aanleiding om het motiveringsgebrek te passeren omdat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. [6] Op 23 januari 2024 heeft verweerder een vaste gedragslijn vastgelegd in het Informatiebericht 2024/7 ten aanzien van ambtshalve doortoetsen aan artikel 8 vanPro het EVRM bij nareis. Hoewel verweerder in de besluitvorming en het verweerschrift niet naar dit Informatiebericht heeft verwezen, heeft verweerder wel in het besluit opgenomen dat er niet wordt doorgetoetst omdat er een reguliere procedure bestaat, en dit is in het Informatiebericht genoemd als één van de redenen om niet door te toetsen aan artikel 8 vanPro het EVRM. Omdat verweerder volgens zijn vaste gedragslijn heeft gehandeld, is eiser door het motiveringsgebrek niet in zijn belangen geschaad.
Hoorplicht
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hoorplicht in bezwaar niet heeft geschonden. Verweerder heeft op grond van wat naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden dan afwijzing van de aanvraag, en heeft het bezwaar daarom kennelijk ongegrond kunnen verklaren. Hierbij is van belang dat eiser en referente in bezwaar geen aanvullende stukken of informatie hebben overgelegd ten opzichte van de aanvraagfase.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
11. In het geconstateerde motiveringsgebrek ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 907,-. [7] Ook moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Artikel 29, tweede lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2151, r.o. 5.1.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4804, r.o. 6.4.
6.De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 6:22 vanPro de Awb.
7.1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.