ECLI:NL:RBDHA:2025:16682
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in omgangszakenprocedure
Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter in een omgangszakenprocedure, stellende dat de rechter vooringenomen zou zijn omdat zij niet direct aan het begin van de zitting het bezwaar tegen te laat ingediende stukken behandelde en omdat de rechter onterecht aannam dat de man het kind had erkend.
De wrakingskamer overweegt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen bijzondere omstandigheden tot wraking kunnen leiden. De eerste grond faalt omdat het niet direct behandelen van bezwaren binnen de vrijheid van de rechter valt om de zitting in te richten. De tweede grond faalt omdat de rechter slechts het debat stuurde en geen inhoudelijke beslissing nam over de erkenning, die al eerder was beslist.
De wrakingskamer benadrukt dat zelfs een juridisch onjuiste opmerking van de rechter niet automatisch wijst op vooringenomenheid. Gezien het voorgaande wordt het wrakingsverzoek afgewezen en wordt het proces voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens ontbreken van een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid.