Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:16716

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 september 2025
Publicatiedatum
10 september 2025
Zaaknummer
NL24.14756
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 6 Besluit 1/80
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning arbeid op grond van associatierecht wegens wisseling werkgever

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst op grond van het associatierecht tussen de EU en Turkije. Zij had eerder als au pair gewerkt bij een gastgezin en wenste na afloop van die periode als huishoudelijke hulp bij datzelfde gezin te blijven werken. De minister wees de aanvraag af omdat eiseres niet langer bij dezelfde werkgever wilde werken als waar zij haar rechten op grond van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80 had opgebouwd.

De rechtbank oordeelt dat eiseres inderdaad rechten heeft opgebouwd op grond van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80, maar dat deze rechten alleen gelden bij voortzetting van het dienstverband bij dezelfde werkgever. Omdat eiseres van werkgever wisselt, kan zij geen recht ontlenen aan artikel 6 en Pro is de afwijzing terecht. De rechtbank laat de vraag of eiseres tot de legale arbeidsmarkt behoorde onbesproken.

Eiseres voerde aan dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door niet te wachten op duidelijkheid van de Belastingdienst over de afdracht van loonbelasting, maar dit verweer leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag blijft in stand. De rechtbank bepaalt dat de minister de proceskosten niet hoeft te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning arbeid blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14756

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer [nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en
de minister van Asiel en Migratie [1]
(gemachtigde: mr. D. Gökcan).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst op grond van het associatierecht tussen de Europese Unie en Turkije. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van haar aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eiseres heeft weliswaar rechten opgebouwd op grond van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80, maar de minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze rechten niet leiden tot de gevraagde verblijfsvergunning, omdat eiseres niet beoogt te gaan werken bij dezelfde werkgever als waar ze die rechten heeft opgebouwd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat waarom de minister de aanvraag heeft afgewezen. De beoordeling van de beroepsgronden volgt vanaf overweging 4. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft haar aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend, omdat zij huishoudelijk werk in en om het huis van haar gastgezin wil gaan verrichten nadat zij enige tijd bij dit gezin als au pair in Nederland heeft gewerkt. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 12 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 maart 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. S. Raissi als waarnemer van de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van de minister.
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en de minister in de gelegenheid gesteld om een nader standpunt in te nemen. Dat heeft de minister op 31 juli 2025 gedaan. Eiseres heeft daar op 1 augustus 2025 op gereageerd. Omdat de rechtbank met partijen heeft afgesproken dat hierna geen nadere zitting zou plaatsvinden, heeft zij het onderzoek op 7 augustus 2025 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht
3. Eiseres wordt, op haar verzoek, vanwege betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om het griffierecht te betalen.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres geen rechten kan ontlenen aan artikel 6 van Pro het Besluit 1/80 en daarom (nog) geen recht heeft op een zelfstandige verblijfsvergunning. Eiseres heeft van 17 september 2022 tot en met 16 september 2023 een verblijfsvergunning voor verblijf als au pair gehad via het bedrijf Sunshine Au Pair B.V. Zij heeft in die periode bij de familie [naam familie] ondersteunende huishoudelijke werkzaamheden verricht. Na afloop van deze vergunning heeft eiseres een arbeidsovereenkomst met deze familie gesloten om als huishoudelijke hulp bij de hen te blijven werken. Omdat de familie [naam familie] voor eiseres echter geen loonbelasting heeft afgedragen, geen premies voor volksverzekeringen en werknemersverzekeringen heeft betaald en niet de werkgeversbijdrage voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) heeft betaald, heeft eiseres niet behoord tot de legale arbeidsmarkt in Nederland. Daarom kan eiseres geen beroep doen op artikel 6 van Pro het Besluit 1/80.
Ontleent eiseres rechten aan artikel 6 van Pro het Besluit 1/80?
5. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat zij geen rechten ontleent aan artikel 6 van Pro het Besluit 1/80, omdat zij niet zou hebben behoord tot de legale arbeidsmarkt. In de bezwaarfase heeft eiseres contact opgenomen met de Belastingdienst en ook voor de Belastingdienst is het onduidelijk of sprake is van afdracht van loonbelasting. Eiseres heeft daarom in ieder geval voor de zekerheid een kopie van het formulier ‘Opgaaf gegevens voor de loonheffing’ aan de minister overgelegd. De minister heeft zelf echter geen onderzoek gedaan. Het had in het kader van een zorgvuldige besluitvorming voor de hand gelegen dat de minister had gewacht totdat de Belastingdienst duidelijkheid had gegeven over de vraag of er voor eiseres loonheffing was afgedragen. Dat heeft de minister niet gedaan. Er is daarom sprake van een onzorgvuldige besluitvorming.
5.1.
In artikel 6 van Pro het Besluit 1/80 staat (onder meer) dat Turkse onderdanen die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoren na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht hebben op verlenging van hun arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever als die werkgever daarvoor werkgelegenheid heeft.
5.2.
Het betoog van eiseres slaagt niet. Eiseres had in de periode van 17 september 2022 tot en met 16 september 2023 een arbeidsrelatie met Sunshine Au Pair B.V., die ook als referent voor haar verblijfsvergunning optrad. Partijen zijn het met elkaar eens dat eiseres gedurende deze periode een rechtspositie op basis van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80 heeft opgebouwd. Uit wat de rechtbank onder 5.1 heeft overwogen, volgt dat eiseres op grond van deze rechtspositie recht zou hebben gehad op verlenging van haar verblijfsvergunning als zij bij Sunshine Au Pair B.V. zou blijven werken. Uit de aanvraag volgt echter dat eiseres niet langer voor Sunshine Au Pair B.V. wil gaan werken, maar dat zij direct in dienst wil treden bij het gastgezin waar zij eerder als au pair huishoudelijke werkzaamheden heeft verricht. Het is tussen partijen niet in geschil dat hiermee van werkgever wordt gewisseld. De minister stelt zich daarom terecht op het standpunt dat de opgebouwde rechten van eiseres op basis van het Besluit 1/80 niet maken dat zij voor de gevraagde voortzetting van haar verblijf en haar arbeid in aanmerking komt, zodat hij de aanvraag alleen al om die reden terecht heeft afgewezen. De vraag of de minister (ook) aan eiseres mocht tegenwerpen dat zij niet tot de legale arbeidsmarkt heeft behoord en de aanvraag om die reden mocht afwijzen, kan daarom onbesproken blijven.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiseres niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyás, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.