AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging inreisverbod wegens onvoldoende belangenafweging medische omstandigheden en familiebanden
De minister van Asiel en Migratie legde aan eiser een inreisverbod van twee jaar op. Eiser voerde aan dat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen om zijn zienswijze te geven tijdens het gehoor en dat het besluit onvoldoende rekening hield met zijn persoonlijke omstandigheden, zoals zijn minderjarigheid bij binnenkomst, familie in Frankrijk en zijn verslaving aan alcohol en cocaïne.
De rechtbank oordeelde dat eiser tijdens het gehoor voldoende gelegenheid had om zijn zienswijze kenbaar te maken en dat hij het Nederlandse gehoor goed begreep. Wel stelde de rechtbank vast dat het bestreden besluit ten onrechte niet inging op de verklaringen over de neef in Frankrijk en de medische omstandigheden, waardoor het besluit niet deugdelijk gemotiveerd was in het kader van artikel 8 EVRMPro.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het inreisverbod in stand op grond van artikel 8:72 AwbPro. De minister had op zitting alsnog gemotiveerd waarom de omstandigheden geen aanleiding gaven om af te zien van het inreisverbod. De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het inreisverbodbesluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.
Uitspraak
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38247
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Procesverloop
Bij besluit van 8 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003.
2. Eiser stelt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Eiser voert daartoe aan dat hij in het gehoor van 8 augustus 2025 onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze over het inreisverbod kenbaar te maken. Tijdens het gehoor is hem onvoldoende duidelijk gemaakt dat dit het moment daarvoor was. Volgens eiser blijkt dit onder andere uit het antwoord dat hij geeft op de vraag of er overige redenen en/of omstandigheden zijn waarom moet worden afgezien van het inreisverbod. Eiser heeft namelijk verklaard: “Ik ben niet gevaarlijk voor mensen, ik vecht niet met mensen”, maar dat kan eigenlijk geen rol spelen. Eiser voert verder aan dat zijn belangen niet kenbaar in het bestreden besluit zijn betrokken. In het kader van artikel 8 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) had de minister moeten betrekken dat eiser als minderjarige naar Nederland is gekomen, hier een privéleven heeft opgebouwd en een neef heeft in Frankrijk. De minister had ook moeten ingaan op zijn medische omstandigheden: dat hij verslaafd is aan alcohol en cocaïne. Eiser wijst op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 24 oktober 20241.
3. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hij tijdens het gehoor onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken. Uit het verslag van het gehoor, dat in het Nederlands is gevoerd, dat eiser, zoals de rechtbank ter zitting heeft vastgesteld, voldoende beheerst en begrijpt, blijkt dat eiser op de hoogte is gesteld van het voornemen om aan hem een inreisverbod voor de duur van 2 jaar op te leggen. Vervolgens is eiser erop gewezen dat op grond van (bijzondere) individuele omstandigheden van het opleggen van het inreisverbod kan worden afgezien en dat het aan eiser is om dergelijke omstandigheden aan te voeren en dat hij daarvoor nu in gelegenheid wordt gesteld. Eiser heeft op de vraag of de verstrekte informatie duidelijk is en of hij hier eventueel iets op wil zeggen, geantwoord: “Ik begrijp het en snap dat dat ik een inreisverbod van 2 jaar krijg.” Daarna zijn gerichte vragen gesteld, onder andere over familie in Nederland of de EU, problemen bij terugkeer naar Marokko en medische omstandigheden. Eiser is op die manier in de gelegenheid gesteld om belangen aan te voeren die relevant zijn voor het inreisverbod. Vervolgens is gevraagd of er overige redenen en/of bijzondere omstandigheden zijn waarom zou moeten worden afgezien van het opleggen van een inreisverbod. Dat eiser toen heeft aangevoerd dat hij niet gevaarlijk is voor mensen en niet vecht met mensen, acht de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat eiser niet begreep dat hij zijn zienswijze moest geven.
4. De rechtbank volgt eiser wel in zijn betoog dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op zijn verklaringen over zijn neef in Frankrijk en zijn medische omstandigheden. Het ontbreekt in het bestreden besluit dan ook aan een belangenafweging in het kader van artikel 8 vanPro het EVRM. Het bestreden besluit is daarom niet deugdelijk gemotiveerd.
5. Gelet op wat in r.o. 4 is overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting namelijk alsnog deugdelijk gemotiveerd waarom de aangevoerde omstandigheden gaan aanleiding zijn om af te zien van het opleggen van een inreisverbod of de duur daarvan te verkorten. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij enkel af en toe telefonisch contact heeft met zijn neef in Frankrijk. Ook heeft eiser een terugkeerbesluit gekregen. Hij zou dus ook niet bij zijn neef in Frankrijk mogen verblijven. Verder heeft eiser niet toegelicht waarom zijn verslaving reden zou moeten zijn om van het opleggen van een inreisverbod af te zien.
6. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
04 september 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: