ECLI:NL:RBDHA:2025:16835
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging verblijfsrecht en ongewenstverklaring Unieburger wegens herhaaldelijke lichte misdrijven en ISD-maatregel
Eiser, een Unieburger met Poolse nationaliteit, verblijft sinds 2015 in Nederland. Verweerder beëindigde zijn verblijfsrecht en verklaarde hem ongewenst vanwege 16 veroordelingen voor lichte misdrijven en een ISD-maatregel van twee jaar opgelegd in 2021. Eiser betoogde dat de dreiging niet actueel is, gezien het tijdsverloop en zijn positieve gedragsontwikkeling tijdens de ISD-maatregel.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht niet-ontvankelijk is zolang de ongewenstverklaring van kracht blijft. De beoordeling van de ongewenstverklaring vindt wel volledig plaats, waarbij de rechtbank het standpunt van verweerder steunt dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de samenleving.
Verweerder heeft terecht rekening gehouden met het aantal en de aard van de strafbare feiten, de opgelegde straffen en de impact op slachtoffers. De tijd tussen de veroordeling en het besluit doet hier niet aan af. De positieve gedragsverandering van eiser tijdens de ISD-maatregel is onvoldoende onderbouwd en de korte periode van recidiveloosheid na vrijlating is niet doorslaggevend.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep tegen de ongewenstverklaring ongegrond en het beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de ongewenstverklaring is ongegrond verklaard.