Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel 'familie en gezin' bij haar meerderjarige dochter. De minister heeft dit verzoek bij besluit van 5 september 2024 afgewezen. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening op 3 februari 2025, samen met een gerelateerde bodemzaak (zaaknummer NL24.38022). Naar aanleiding van de uitspraak in de bodemzaak wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
Ondanks de afwijzing veroordeelt de voorzieningenrechter de minister tot betaling van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 907,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.W. Wassink en is onherroepelijk, omdat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.