ECLI:NL:RBDHA:2025:16853
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Hanssen - Telman
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting van bewaring in asielprocedure leidt tot schadevergoeding
Eiser werd op 22 augustus 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet (Vw) vanwege de afwijzing van zijn asielaanvraag. De minister verlengde deze bewaring met drie maanden. De rechtbank toetste eerder de rechtmatigheid van de bewaring tot 13 juni 2025 en concludeerde dat deze toen rechtmatig was.
Na 12 augustus 2025 bleek dat het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening pas op 29 oktober 2025 behandeld zouden worden, ruim na de uiterste datum van bewaring (4 oktober 2025). De minister had daarom de bewaring moeten opheffen, maar deed dit pas op 2 september 2025. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende inspanningen had verricht om een eerdere behandeling te realiseren en dat de bewaring onrechtmatig was voortgezet.
De rechtbank kende een schadevergoeding toe voor 21 dagen onrechtmatige vrijheidsbeneming à €100 per dag, totaal €2.100, en veroordeelde de minister in de proceskosten van €907. Er stond geen rechtsmiddel open tegen deze uitspraak.
Uitkomst: De bewaring werd onrechtmatig voortgezet vanaf 13 augustus 2025, waardoor eiser recht heeft op een schadevergoeding van €2.100 en de minister in de proceskosten wordt veroordeeld.