Eiser heeft een visumaanvraag voor kort verblijf ingediend die door de minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen vanwege een SIS-signalering als gevolg van een ongewenstverklaring uit 2011. Eiser was op de hoogte van deze ongewenstverklaring, maar betwistte dat hij adequaat geïnformeerd was over de gevolgen hiervan.
De rechtbank oordeelt dat eiser inderdaad op de hoogte was van de ongewenstverklaring, die rechtsgeldig bekend is gemaakt. De minister was daarom bevoegd het visum af te wijzen op grond van de Visumcode. Echter, eiser had bij zijn bezwaar tevens een verzoek tot opheffing van deze ongewenstverklaring ingediend, wat de minister niet als zodanig heeft behandeld.
De rechtbank stelt dat de minister op grond van de Algemene wet bestuursrecht verplicht was het verzoek onverwijld door te sturen naar de bevoegde afdeling. Het niet afwachten van de beslissing op dit verzoek en het anderhalf jaar laten liggen van het bezwaar maakt het besluit onzorgvuldig en strijdig met de Awb. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast wordt de minister veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht.