ECLI:NL:RBDHA:2025:16891

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 september 2025
Publicatiedatum
12 september 2025
Zaaknummer
NL25.42705
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 5.1b lid 3 VbArt. 5.1b lid 4 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens risico op onderduiken

De rechtbank Den Haag behandelde op 12 september 2025 het beroep van een vreemdeling tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. De maatregel was gebaseerd op zware gronden, waaronder het ontbreken van geldige reisdocumenten en eerdere ontduiking van toezicht, en lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats.

De vreemdeling betwistte de gronden en stelde dat hij meewerkte aan terugkeer naar Duitsland en zijn identiteit vaststond. De rechtbank oordeelde echter dat de gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren. De enkele verklaring van medewerking aan terugkeer was onvoldoende om het significante risico op onderduiken weg te nemen.

De rechtbank concludeerde dat de minister terecht geen lichter middel toepaste en dat de belangenafweging voldoende individueel was gemaakt. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd openbaar gemaakt en kan binnen een week worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42705

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. Het onderzoek is op 11 september 2025 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1997.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. In de maatregel staan als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist alle zware gronden en de lichte gronden 4a en 4c. Ten aanzien van de zware en lichte gronden voert eiser aan dat hij op dit moment niet beschikt over identiteitsdocumenten. Het was ook niet de bedoeling van eiser om naar Nederland te komen. Eiser wil meewerken aan een terugkeer naar Duitsland. Ook voert eiser aan dat zijn identiteit en nationaliteit vaststaan. Eiser is met dezelfde persoonsgegevens al eerder overgedragen aan Duitsland. Eiser verleent volledige medewerking aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Eiser verzoekt de rechtbank om in het kader van een belangenafweging in afwachting van zijn overdracht aan Duitsland geplaatst te worden in een reguliere AZC.
4. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de zware grond 3a volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze grond zich feitelijk voordoet. Eiser is immers zonder (geldige) reisdocumenten Nederland ingereisd. Zware grond 3b is eveneens feitelijk juist. Eiser heeft zich in het verleden aan het toezicht onttrokken. De stelling dat het niet de bedoeling was van eiser om naar Nederland te komen is geen betwisting van de feitelijke juistheid van deze gronden. De lichte gronden 4a en 4c zijn eveneens feitelijk juist en voldoende toegelicht. In de maatregel heeft verweerder gemotiveerd waarom de feitelijke juistheid van deze gronden bijdraagt aan een significant risico op onderduiken. Deze zware en lichte gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over zware grond 3d behoeft geen nadere bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.
5. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het significante onttrekkingsrisico te ondervangen. Hoewel eiser heeft verklaard dat hij zal meewerken aan terugkeer naar Duitsland is die enkele verklaring onvoldoende. Verweerder heeft in dat verband kunnen betrekken dat eiser in meerdere landen in Europa is geweest en zich aan het toezicht van de autoriteiten heeft onttrokken. Hierdoor is het risico dat eiser zich weer aan het toezicht zal onttrekken groot. Daarnaast heeft verweerder ook de andere door eiser aangevoerde omstandigheden kenbaar betrokken bij zijn beoordeling. Verweerder heeft dan ook in voldoende mate een individuele belangenafweging gemaakt. Verweerder hoefde daarom niet te volstaan met de toepassing van een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. [4]
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 september 2025 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Zie het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.