ECLI:NL:RBDHA:2025:16896
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitse autoriteiten op grond van Dublinverordening
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de voorgenomen overdracht aan de Duitse autoriteiten op 15 september 2025, omdat zijn vriendin zwanger is, hij medische klachten heeft en een beroep doet op artikel 8 EVRM Pro. De minister heeft het bezwaar afgewezen en stelt dat er geen nieuwe feiten zijn die de overdracht kunnen verhinderen.
De voorzieningenrechter overweegt dat de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting niet zodanig verschilt van die ten tijde van het oorspronkelijke besluit van 19 maart 2025 dat de rechtmatigheid van de overdracht in twijfel kan worden getrokken. De gestelde zwangerschap en medische klachten zijn niet onderbouwd en niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitzetting.
De voorzieningenrechter verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en het arrest Bahaddar van het EHRM, waarin wordt bepaald dat alleen nieuwe en relevante feiten tot een geslaagd bezwaar kunnen leiden. Omdat verzoeker zijn stellingen niet heeft onderbouwd, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Tenslotte wordt geen veroordeling in de proceskosten opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Duitsland wordt afgewezen.