Eiseres had bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de minister op haar aanvraag voor een kort verblijf visum. De minister heeft niet binnen de wettelijke termijn op dit bezwaar beslist, waarna eiseres beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep terecht is ingediend omdat eiseres de minister eerst schriftelijk in gebreke had gesteld en daarna binnen de daarvoor gestelde termijn beroep had ingesteld. De minister had de beslistermijn met zes weken verlengd, maar deze termijn was inmiddels verstreken zonder beslissing.
De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn van twee weken op om alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom opgelegd van € 100,- per dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het griffierecht.
De uitspraak benadrukt het belang van tijdige besluitvorming door bestuursorganen en bevestigt de mogelijkheid van beroep bij overschrijding van beslistermijnen volgens de Algemene wet bestuursrecht.