ECLI:NL:RBDHA:2025:17166

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 september 2025
Publicatiedatum
18 september 2025
Zaaknummer
SGR 25/5214
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om proceskostenveroordeling niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker had een voorlopige voorziening aangevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Westland waarbij hij werd uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen. Dit verzoek is ingetrokken nadat de gemeente de betaling van zijn uitkering hervatte en hij een afspraak had om zich opnieuw te laten inschrijven. Verzoeker vroeg vervolgens om proceskostenveroordeling van het college.

De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren, dat stelde dat er geen onrechtmatig besluit of onzorgvuldig handelen was en daarom geen proceskostenvergoeding moest worden toegekend. De voorzieningenrechter heeft zonder zitting uitspraak gedaan.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het griffierecht van €194,- voor de voorlopige voorziening niet binnen de gestelde termijn was betaald, waardoor verzoeker in verzuim was. Het betalen van het griffierecht is een voorwaarde voor toegang tot de bestuursrechter. Daarom is het verzoek om proceskostenveroordeling niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenveroordeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5214

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 september 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. C.U. Mons),
en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, het college

(gemachtigde: M. Montaser).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van 19 juni 2025 waarbij verzoeker is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 juni 2025.
1.1.
Hij heeft het verzoek ingetrokken omdat de gemeente op dat moment de betaling van eisers uitkering op grond van de Participatiewet ging hervatten en eiser binnenkort een afspraak bij de gemeente had om in persoon te verschijnen om zich weer te laten inschrijven op zijn adres. Door deze ontwikkeling viel voor verzoeker de spoedeisendheid weg en kon hij de bezwaarprocedure afwachten.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college vindt dat er geen aanleiding is om een proceskostenvergoeding toe te kennen. Daarbij stelt het college zich op het standpunt dat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit of onzorgvuldig handelen.
1.3.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een proceskostenveroordeling niet-ontvankelijk. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
3. Bij aangetekende brief van 14 augustus 2025 heeft de griffier verzoeker medegedeeld dat hij voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening een griffierecht van € 194,- verschuldigd is en is hij erop gewezen dit bedrag binnen twee weken te voldoen. Het vermelde bedrag is niet binnen de gestelde termijn bijgeschreven of ter griffie gestort. Niet is gebleken dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoeker in verzuim is geweest.
4. Het betalen van het verschuldigde griffierecht voor de (ingetrokken) voorlopige voorziening vormt een voorwaarde voor de toegang tot de bestuursrechter. Het verzoek tot toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb is nauw verbonden met (het intrekken van) het verzoek om een voorlopige voorziening. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat deze ontvankelijkheidskwestie vooraf aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
5. De voorzieningenrechter komt dan ook tot het oordeel dat het verzoek om verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een proceskostenveroordeling niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).