De minister van Asiel en Migratie legde eiser op 24 augustus 2025 een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser, die stelt Italiaans staatsburger te zijn, voerde aan dat hij als EU-burger vrij mocht reizen en dat het terugkeerbesluit niet rechtsgeldig was. Tevens stelde hij dat de minister niet voortvarend handelde en dat hij bereid was vrijwillig te vertrekken.
De rechtbank oordeelt dat eiser geen bewijs heeft geleverd van zijn EU-nationaliteit en dat het terugkeerbesluit van 19 maart 2025 rechtsgeldig is. De gronden voor de bewaring, waaronder het niet meewerken aan vaststelling van identiteit en het ontbreken van vaste woonplaats en middelen van bestaan, zijn niet betwist en voldoende om het risico van onttrekking aan toezicht aan te nemen. De enkele bereidheid tot vrijwillig vertrek weegt niet op tegen het niet voldoen aan de vertrekplicht.
De rechtbank stelt vast dat de minister voortvarend heeft gehandeld door een vertrekgesprek te voeren en de Italiaanse autoriteiten te raadplegen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.