ECLI:NL:RBDHA:2025:17260

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 september 2025
Publicatiedatum
19 september 2025
Zaaknummer
NL25.39867
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRichtlijn 2001/55/EGBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen beëindiging tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne

Verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie, waarin werd bepaald dat zijn tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd. De voorzieningenrechter stelt vast dat onverwijlde spoed aanwezig is vanwege het naderende einde van de bevriezingsmaatregel op 4 september 2025, waarna verzoeker geen gebruik meer mag maken van opvangvoorzieningen en niet mag werken.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend en verzet zich niet tegen het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter besluit daarom verzoeker te behandelen alsof de Richtlijn tijdelijke bescherming nog van toepassing is tot vier weken na de beslissing op het beroep. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M.L. Weerkamp en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet. Hiermee wordt verzoeker tijdelijk beschermd tegen de gevolgen van het terugkeerbesluit totdat de beroepsprocedure is afgerond.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en verzoeker blijft beschermd onder de Richtlijn tijdelijke bescherming tot vier weken na beslissing op beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39867

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 20 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder een terugkeerbesluit tegen verzoeker uitgevaardigd en bepaald dat zijn facultatieve tijdelijke bescherming onder de Richtlijn tijdelijke bescherming (2001/55/EG) per 4 maart 2024 is geëindigd.
Verzoeker heeft beroep (NL25.39866) ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten.
Verweerder is niet ingegaan op het verzoek van de voorzieningenrechter om een verweerschrift in te dienen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak buiten zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele bodemzaak niet.
2. Aangezien verweerder in algemene zin heeft bekendgemaakt dat het bevriezen van de gevolgen van het eindigen van tijdelijke bescherming voor de groep die wordt aangeduid met de term 'derdelanders Oekraïne', waarvan verzoeker volgens verweerder deel uitmaakt, op 4 september 2025 ophoudt, is de vereiste onverwijlde spoed aanwezig. Hoewel verzoeker vanaf die datum nog een vertrektermijn van vier weken heeft, mag hij namelijk na die datum geen gebruik meer maken van de gemeentelijke opvangvoorzieningen en mag hij niet meer werken in Nederland. Hierbij is van belang dat hij ten tijde van het bestreden besluit geen procedure over tijdelijke bescherming had lopen. [1]
3. Verweerder heeft zich niet verzet tegen het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om bij wijze van ordemaatregel het verzoek op de hierna te melden wijze toe te wijzen.
4. In de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 907, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe en bepaalt dat verzoeker moet worden behandeld als ware de Richtlijn tijdelijke bescherming (2001/55/EG) nog op hem van toepassing is tot vier weken nadat er op het beroep (NL25.39866) is beslist;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907 (negenhonderdzeven euro).
Deze uitspraak is gedaan op 17 september 2025 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.