ECLI:NL:RBDHA:2025:17324
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid navordering inkomstenbelasting bij buitenlandse dienstbetrekking en woonplaats Nederland
Eiseres deed aangifte inkomstenbelasting over 2018 als binnenlands belastingplichtige met buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige arbeid. De Belastingdienst legde navorderingsaanslag op omdat uit de aangifte 2019 bleek dat de inkomsten aan Nederland waren toegewezen, waardoor de eerder verleende vrijstelling werd teruggenomen.
De kern van het geschil betrof de vraag of de inspecteur bevoegd was tot navordering op grond van een nieuw feit. De rechtbank oordeelde dat het bestaan van een uitworpreden niet automatisch tot nader onderzoek verplicht, en dat de inspecteur niet tot nader onderzoek gehouden was bij de oorspronkelijke aanslag. Verweerder stelde dat het tegenwoordig gebruikelijk is dat iemand in Nederland woont en in het buitenland werkt, wat de rechtbank aannemelijk vond.
Hierdoor was sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Eiseres voerde geen aparte gronden tegen de belastingrente aan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter M.J. Pelinck op 22 juli 2025.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2018.