ECLI:NL:RBDHA:2025:17381
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning medische behandeling
Verzoeker, van Mauritaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'medische behandeling'. Deze aanvraag werd op 11 oktober 2024 door de minister van Asiel en Migratie afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar bij besluit van 13 februari 2025 bleef de minister bij zijn afwijzing.
Verzoeker stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank, waarbij hij tevens een voorlopige voorziening vroeg om de afwijzing tijdelijk te schorsen. De voorzieningenrechter behandelde dit verzoek op 8 september 2025, waarbij de gemachtigde van verzoeker aanwezig was, maar de gemachtigde van de minister niet.
Op 22 september 2025 deed de rechtbank uitspraak in het hoofdberoep (zaak AWB 25/3637) en verklaarde het beroep gegrond, maar handhaafde de rechtgevolgen van het bestreden besluit. Hierdoor was een voorlopige voorziening niet langer nodig. De voorzieningenrechter wees daarom het verzoek af en veroordeelde de minister tot betaling van de proceskosten van € 907,00.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep gegrond is verklaard met instandhouding van de rechtgevolgen van het bestreden besluit.