ECLI:NL:RBDHA:2025:17390
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting op grond van Dublin-overeenkomst toegewezen
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublin-overeenkomst.
De minister heeft aangekondigd dat verzoeker op 24 september 2025 zal worden uitgezet naar Oostenrijk. Verzoeker heeft daarom een voorlopige voorziening gevraagd om deze uitzetting te voorkomen totdat op het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het verzoek tot voorlopige voorziening toegewezen. Het bestreden besluit wordt geschorst en verzoeker mag niet worden overgedragen aan Oostenrijk totdat het beroep is behandeld.
Daarnaast is de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 907,00. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het besluit tot uitzetting van verzoeker naar Oostenrijk wordt geschorst en uitzetting wordt verboden totdat op het beroep is beslist.