ECLI:NL:RBDHA:2025:17391

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 september 2025
Publicatiedatum
22 september 2025
Zaaknummer
NL25.42407
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Oostenrijk op grond van Dublin-overeenkomst

Verzoekster heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend die door de minister niet in behandeling is genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is volgens de Dublin-overeenkomst. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot voorlopige voorziening toegewezen na belangenafweging. Het bestreden besluit is geschorst en verzoekster mag niet worden overgedragen aan Oostenrijk totdat op het beroep is beslist. Hierdoor wordt de overdrachtstermijn opgeschort.

De minister is veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 907,00 conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A. Sibma en is openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het bestreden besluit is geschorst en verzoekster mag niet worden uitgezet naar Oostenrijk totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42407

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam 1] , verzoekster,

V-nummer: [nummer] ,
mede namens haar minderjarige kinderen [naam 2] en [naam 3]
(gemachtigde: mr. J. Burema)
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

1. Bij besluit van 28 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de volgende aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Bij brief van 16 september 2025 heeft de minister aan verzoekster meegedeeld dat zij op 24 september 2025 om 11.50 uur zal uitreizen in het kader van de Dublin-overeenkomst naar Oostenrijk. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot een verbod op verwijdering uit Nederland alvorens op het beroep is beslist.
3. Na afweging van de betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen, het bestreden besluit te schorsen en te bepalen dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan Oostenrijk totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist. Door toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening wordt de overdrachtstermijn opgeschort.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen wordt de minister veroordeeld in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoekster niet mag worden uitgezet naar Oostenrijk totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 907,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.