De onder curatele gestelde eiser leed brandschade aan zijn woning doordat de curatoren, werkzaam bij bedrijf 1, de verzekeringspremies niet tijdig betaalden. Hierdoor verleende de verzekeraar ASR geen dekking voor de brand. Bedrijf 1 erkende aansprakelijkheid voor deze beroepsfout, maar er ontstond discussie over de wijze van schadeberekening en de peildatum.
De rechtbank oordeelt dat de schadevergoeding moet worden berekend aan de hand van een vermogensvergelijking tussen de feitelijke situatie (woning onbewoonbaar, oplopende bouwkosten) en de hypothetische situatie zonder onrechtmatige daad (herstelkosten op moment van brand). Het standpunt van bedrijf 1 om te vergoeden op basis van het prijspeil van de branddatum wordt verworpen vanwege de vertragingen en nalatigheden van bedrijf 1.
De rechtbank wijst de primaire vordering af die onbeperkte vergoeding op toekomstig prijspeil beoogt, maar stelt subsidiair de peildatum vast op 1 januari 2023 als passend en redelijk. De zaak wordt verwezen naar schadestaat voor nadere vaststelling van de schade. Bedrijf 1 wordt veroordeeld tot schadevergoeding, proceskosten en wettelijke rente.