Eiseres, met de Egyptische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf om haar relatie in Nederland te bezoeken. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van het doel en twijfel over het vertrek na het verblijf. Referent, de partner in Nederland, maakte namens eiseres bezwaar, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege vermeende ongeldige machtigingen.
De rechtbank stelde vast dat er twee keer bezwaar was gemaakt, maar dat slechts het eerste bezwaar rechtsgeldig kon zijn. De Visumcode bepaalt dat alleen de aanvrager bezwaar kan maken, waarvoor een geldige machtiging vereist is. De minister had meerdere machtigingsformulieren ontvangen, allen met een handtekening in westers schrift, afwijkend van de handtekening in het paspoort van eiseres.
De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende duidelijkheid had verschaft over de reden waarom de machtigingen niet geldig werden geacht en dat het niet-ontvankelijk verklaren onterecht was. Gezien de relatie tussen eiseres en referent en het feit dat meerdere machtigingen waren overgelegd, was er geen reden om fraude te vermoeden. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten.