Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 9 november 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Eiseres stelde de minister op 9 juli 2025 in gebreke en diende daarna beroep in. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist.
De rechtbank legt een nadere beslistermijn op volgens het 8+8-wekenmodel: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een gehoor afnemen over de asielmotieven van eiseres en binnen acht weken daarna het besluit nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van € 15.000,-.
De rechtbank kan geen bestuurlijke dwangsom vaststellen omdat de wettelijke bepalingen hierover sinds 15 april 2025 niet meer van kracht zijn, en de minister niet vóór die datum in gebreke was gesteld. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres van € 453,50 wegens het inschakelen van professionele juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter O. Veldman en griffier M.M. Mulder en is op 27 augustus 2025 in het openbaar uitgesproken.