ECLI:NL:RBDHA:2025:17694

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 september 2025
Publicatiedatum
26 september 2025
Zaaknummer
NL25.44330
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie legde op 14 september 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken.

Eiser betwistte de zware gronden, met name dat hij niet zou hebben voldaan aan een vertrekplicht uit 2018, omdat hij dacht dat dat besluit was teruggedraaid. De rechtbank oordeelde dat deze betwisting onvoldoende onderbouwd was en dat de feiten juist waren.

Eiser voerde aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege het verstrijken van zeven jaar sinds het vertrekbesluit en zijn medische situatie. De rechtbank vond dat de minister dit voldoende had gemotiveerd en dat het risico op onttrekking bleef bestaan.

De ambtshalve toetsing door de rechtbank leidde niet tot een ander oordeel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44330

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.M. Luik).

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Poyraz, als waarnemer van zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser betwist zware grond 3c, omdat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de verklaring van eiser dat hij dacht dat het besluit van 2018 was teruggedraaid. Eiser was daardoor in de veronderstelling dat hij wel in Nederland mocht zijn.
1.2.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gronden de maatregel dragen, omdat deze allemaal feitelijk juist zijn en de minister bij de lichte gronden voldoende heeft gemotiveerd dat hieruit het risico op onttrekking blijkt. [1] Eisers betoog in het kader van zware grond 3c doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Uit het dossier blijkt namelijk niet dat het besluit uit 2018 is teruggedraaid en eiser heeft deze stelling ook niet nader onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser betoogt dat de minister aan hem een lichter middel had moeten opleggen, omdat inmiddels zeven jaar verstreken is sinds het besluit uit 2018. De minister had daarom moeten kijken naar de actuele situatie en daarbij moeten beoordelen of eiser zijn leven sinds 2018 heeft verbeterd of dat zijn medische situatie is veranderd. Daarnaast had getoetst moeten worden of eiser zorgt voor overlast.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom aan eiser geen lichter middel is opgelegd. Uit de gronden van de maatregel blijkt namelijk het risico op onttrekking. Dat eiser wel of niet voor overlast zou zorgen, doet daar niet aan af. Ook de stelling dat de minister had moeten kijken naar de actuele situatie, volgt de rechtbank niet. Het staat namelijk vast dat eiser sinds 2018 de verplichting heeft om terug te keren naar Polen en dat niet heeft gedaan. Verder heeft de minister in de maatregel de medische situatie van eiser voldoende gemotiveerd betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door
de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan
de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
2.ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.