Eiseres en haar minderjarige kinderen werden op 16 juni 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie, op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres maakte bezwaar tegen deze maatregel en stelde beroep in, dat tevens werd aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op op 26 juni 2025, waarna de rechtbank op 30 juni 2025 het beroep behandelde.
De rechtbank richtte zich op de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding toekwam. De minister had zwaarwegende gronden aangevoerd, waaronder het niet meewerken van eiseres aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit, en het verstrekken van onjuiste gegevens bij haar toelatingsaanvraag. Eiseres betwistte deze gronden niet, waardoor de rechtbank deze als feitelijk juist en voldoende gemotiveerd beoordeelde.
Eiseres voerde aan dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend zou zijn geweest vanwege haar medewerking en de aanwezigheid van jonge kinderen. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd dat een lichter middel onvoldoende was, mede omdat eiseres had verklaard niet mee te willen werken aan overdracht aan Kroatië. De belangen van de minderjarige kinderen waren meegewogen, waarbij werd benadrukt dat zij bij hun moeder moesten blijven en dat de bewaring zo kort mogelijk zou duren.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.