ECLI:NL:RBDHA:2025:17874

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 september 2025
Publicatiedatum
29 september 2025
Zaaknummer
24/3683
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 7:4 AwbArt. 6:22 AwbArt. 5.5 WooArt. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen gedeeltelijke openbaarmaking informatie tipgeversprocedure op grond van Woo

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de korpschef van Politie om slechts gedeeltelijk informatie openbaar te maken over de tipgeversprocedure op grond van de Wet open overheid (Woo). Het verzoek tot openbaarmaking was ingegeven door een tip die eiser in 2019 aan de politie had verstrekt en de daaropvolgende behandeling daarvan.

De rechtbank oordeelt dat verweerder aanvankelijk onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de zoekslagen naar relevante documenten zijn verricht, waardoor de motivering van het besluit tekortschiet en in strijd is met artikel 7:12 van Pro de Awb. Tijdens de beroepsprocedure heeft verweerder echter alsnog voldoende aannemelijk gemaakt dat alle relevante informatie is verstrekt en dat er geen documenten bestaan over een vastgelegde tipgeversprocedure.

De rechtbank overweegt dat de politie en het Openbaar Ministerie per individueel onderzoek afwegen of en hoe tips worden behandeld, zonder dat er een schriftelijke procedure of protocol bestaat. Ook is vastgesteld dat verweerder geen documenten achterhoudt en dat de communicatie met eiser weliswaar beter had gekund, maar dat dit geen reden is voor vernietiging wegens vooringenomenheid of détournement de pouvoir.

Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van dat besluit blijven in stand. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding en eiser is vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3683

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de korpschef van Politie, verweerder

(gemachtigden: mr. F.J.H. van Tienen en mr. M. Morren).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de gedeeltelijke openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft verweerder een aantal documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt en de openbaarmaking van andere documenten geweigerd. Met het bestreden besluit van 14 maart 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft stukken aan de rechtbank toegezonden met het verzoek, dat de kennisneming van de volledige of gedeeltelijke inhoud daarvan tot de rechtbank wordt beperkt. [1] De rechter heeft dit verzoek toegewezen en deze stukken ingezien.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft bij e-mail van 11 juli 2025 nadere stukken ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van verweerder deelgenomen. Deze zaak is op dezelfde zitting behandeld als de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 24/6485, over het besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid over hetzelfde Woo-verzoek. Eiser heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen die hij – in overleg – gedeeltelijk heeft voorgedragen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. In 2019 heeft eiser een tip aan de politie verstrekt in verband met een strafrechtelijk onderzoek. Naar aanleiding van de wijze waarop de tip is afgehandeld, heeft eiser zich gewend tot de Nationale Ombudsman (de Ombudsman). Op 9 november 2022 heeft de Ombudsman een rapport uitgebracht over informatieverstrekking door politie en Openbaar Ministerie (OM) aan burgers in tipgeversprocedures. [2]
3. Eiser heeft vervolgens op 29 juni 2023 bij het Openbaar Ministerie (het OM) een verzoek ingediend om openbaarmaking van informatie over de inrichting van de procedure met betrekking tot tipgevers. Het verzoek is aan de politie doorgezonden, voor zover het gaat om informatie die bij verweerder berust. [3]
3.1
In een eerste zoekslag heeft verweerder 37 documenten gevonden. Hiervan zijn 16 documenten bij het besluit van 12 oktober 2023 deels openbaar gemaakt. Van 6 documenten is bepaald dat deze buiten de reikwijdte van het verzoek vallen. In 3 documenten is informatie geweigerd op grond van een uitzonderingsgrond uit de Woo. 11 documenten zijn doublures van een ander document. 1 document bleek al openbaar. Het OM en de Ombudsman hebben hun zienswijzen over de openbaarmaking naar voren gebracht.
3.2
In bezwaar heeft verweerder een tweede zoekslag verricht. Dat heeft geen nieuwe informatie opgeleverd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen. De zoekslagen zijn onvolledig en niet goed inzichtelijk gemaakt. Dat niet meer documenten bij verweerder berusten is daarnaast onwaarschijnlijk. Voor zover verweerder niet over bepaalde documenten beschikt, zal hij die moeten achterhalen. Daarnaast zijn de zienswijzen ten onrechte niet aan eiser ter inzage verstrekt. Ook is verzuimd toepassing te geven aan artikel 5.5 van de Woo met betrekking tot informatie die op eiser betrekking heeft; op dat punt had verweerder een individuele belangenafweging moeten uitvoeren. Verweerder heeft eiser vooringenomen bejegend en in strijd gehandeld met het beginsel van fair play. De besluitvorming geeft ook blijk van détournement de pouvoir, omdat de Woo wordt gebruikt om informatie uit de openbaarheid te houden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De zoekslagen
5. Een bestuursorgaan moet voldoende inzichtelijk maken hoe het de zoekslag heeft verricht. Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat informatie niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om het tegendeel aannemelijk te maken. Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan niet ongeloofwaardig voorkomt, dient te worden betrokken op welke wijze het onderzoek is verricht. [4]
6. In het primaire besluit heeft verweerder toegelicht dat uitvraag is gedaan bij de Afdeling Beleidsontwikkeling van de Stafkorpsleiding. Deze beknopte toelichting is in het bestreden besluit aangevuld met een omschrijving van de zoekslag die in bezwaar heeft plaatsgevonden; daarbij is aangegeven dat verweerder extra uitvraag heeft gedaan bij de Afdeling Opsporingscommunicatie, het landelijk overleg van de recherchehoofden en de Afdeling Beleidsontwikkeling. Daarbij is ook uitgelegd dat er geen document is over de tipgeversprocedure omdat per zaak wordt bekeken of om tips van burgers wordt gevraagd en daarover geen afspraken op papier staan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft is hiermee niet voldoende verhelderd hoe naar documenten is gezocht, waarmee de zorgvuldigheid van de zoekslag niet goed valt te verifiëren. De motivering schiet daardoor tekort en komt in strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Awb.
7. De rechtbank staat vervolgens voor de vraag wat dit gebrek moet betekenen voor de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, omdat verweerder de zoekslagen alsnog voldoende heeft toegelicht in de beroepsprocedure. Daarbij heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat hij alle onder het Woo-verzoek vallende informatie die onder hem berust, aan eiser heeft verstrekt. Er is geen reden om verweerder opdracht te geven tot het doen van een nieuwe zoekslag. De rechtbank legt hieronder uit op basis waarvan zij tot dit oordeel is gekomen.
7.1
In de eerste plaats heeft verweerder aan alle medewerkers van de politie die betrokken zijn geweest bij het onderzoek door de Ombudsman, gevraagd of een tipgeversprocedure bestaat, en zo ja, hoe deze procedure is ingericht. Dit onderzoek was omvangrijk en omvatte een uitvraag aan enkele tientallen medewerkers, waaronder drie leiders van het Team Grootschalig Optreden en teamhoofden van de regionale recherches. Als reactie is door de betrokken medewerkers aangegeven dat een vastgelegde tipgeversprocedure niet bestaat en dat er dus ook geen documenten bestaan over de inrichting daarvan. Daarbij is verduidelijkt dat op regionaal niveau afspraken worden gemaakt tussen de politie en het OM, maar dat dit ad hoc gebeurt, waarbij de opportuniteit in het betreffende geval leidend is. De rechtbank acht dit aannemelijk, omdat beslissingen over tipgevers in een opsporingsonderzoek worden genomen, dat onder gezag van het OM wordt uitgevoerd. Het ligt in de rede dat elk onderzoek een afzonderlijke afweging meebrengt. Gelet op het individuele karakter van die afweging is het goed navolgbaar, dat de politie niet is gekomen tot vastlegging van een procedure of van criteria voor de omgang met tips en tipgevers.
7.2
Op basis van de reacties van de betrokken medewerkers heeft verweerder ook een algemene inventarisatie uitgevoerd. Deze inventarisatie omvat de informatie onder verweerder met betrekking tot tip- en beloningsgelden. Ook heeft de inventarisatie zich uitgestrekt over de informatie die in het onderzoek van de Ombudsman is betrokken. In het kader van het onderzoek van de Ombudsman is gezocht op de zoektermen “tip, tipgeld, tipgever, gouden tip, beloning, geldelijke beloning, informant en informatie”, waarmee alle relevant te achten zoektermen zijn gehanteerd. Hierbij zijn de administratieve en operationele informatiesystemen doorzocht. Met de inventarisatie is al deze informatie opnieuw tegen het licht gehouden. Op basis hiervan zijn geen relevante gegevens aangetroffen, die niet bij de uitvraag in het kader van de het onderzoek van de Ombudsman zijn gevonden.
7.3
Naar aanleiding van het bezwaar is een nieuwe uitvraag gedaan bij de teamleider van de Afdeling Opsporingscommunicatie over het bestaan van een protocol rondom het uitreiken van tipgelden. Als reactie hierop is door de teamleider aangegeven, dat er geen protocol rondom het uitreiken van tipgeld bestaat.
Tot slot heeft verweerder uitvraag gedaan bij de Afdeling Beleidsontwikkeling en het Landelijk Overleg van de Recherche, naar het bestaan van documenten over procedures met betrekking tot tipgevers. Ook deze uitvraag heeft geen document(en) opgeleverd.
7.4
Gezien de uitkomsten van de verschillende zoekacties is het voldoende aannemelijk, dat alle relevante onderdelen in de politieorganisatie zijn onderzocht op alle onderwerpen die zouden kunnen leiden naar een document over een tipgeversprocedure, als dat zou bestaan. Daarbij zijn eenheden, systemen, onderwerpen en zoektermen benoemd en is de opzet van de zoekslag goed verantwoord. Verweerder heeft dus alsnog voldoende duidelijk gemaakt dat de zoekslag zorgvuldig en volledig is geweest.
8. De rechtbank vindt geen aanwijzingen dat verweerder over bepaalde stukken moet beschikken en die hij eventueel zou moeten achterhalen. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.
8.1
Volgens eiser spreekt verweerder zich tegen, door aan de ene kant te stellen dat er geen afspraken op papier staan, terwijl anderzijds aan de Ombudsman is gemeld dat er tussen regionale eenheden verschillen bestaan. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Dat er verschillen bestaan tussen politie-eenheden over de manier waarop in het algemeen wordt omgegaan met tipgevers, hoeft niet te worden afgeleid uit een schriftelijke vastlegging. Dit kan bijvoorbeeld ook blijken uit navraag in de opsporingspraktijk.
8.2
De opmerking van verweerder in de brief aan de Ombudsman van 23 februari 2022, dat er ‘meer gedetailleerde informatie over de procedure is’, leidt niet tot een ander inzicht. Met deze opmerking heeft verweerder er alleen op gewezen, dat het OM meer informatie heeft op het niveau van individuele opsporingsonderzoeken. Dat valt buiten het Woo-verzoek.
8.3
De registratiebevoegdheid die verweerder in zijn brief van 15 december 2021 noemt, duidt niet op het bestaan van een bepaald document over de procedure met betrekking tot tipgevers, zoals eiser betoogt. Verweerder verwijst hiermee uitsluitend naar de registratie van de verklaringen van tipgevers in opsporingsonderzoeken. Ter verduidelijking van de rechtsgrond voor deze verwerking, plaatst verweerder dit binnen zijn wettelijke registratiebevoegdheid. Dit staat los van de vraag, of verweerder een document heeft waarin een procedure over de omgang met tipgevers is vastgelegd.
8.4
Eiser stelt dat verweerder de opvolging van het rapport van de Ombudsman heeft stopgezet, zodat daarvan een document moet bestaan dat niet is verstrekt. Dit betoog gaat niet op. Naar aanleiding van dat rapport waren het OM en de politie voornemens de aanbevelingen van de Ombudsman in een tekst op de website van het OM te laten publiceren. De conceptteksten zijn op eisers verzoek openbaargemaakt. De definitieve tekst is inmiddels op de website van het OM geplaatst, met een link op de website van de politie die daarnaar verwijst. Verweerder mocht daarmee volstaan. Er is geen concrete aanwijzing dat informatie bij verweerder berust over de implementatie van het advies van de Ombudsman, die binnen het bereik van het Woo-verzoek zou vallen.
8.5
Volgens eiser kan het niet juist zijn, dat verweerder de vragen van de Ombudsman heeft kunnen beantwoorden zonder daarbij een document over een tipgeversprocedure te raadplegen. Dit treft geen doel. Ten behoeve van het onderzoek van de Ombudsman heeft verweerder een omvangrijke en grondige uitvraag gedaan binnen de politieorganisatie, waarbij tientallen personen zijn bevraagd, waaronder ook meerdere leidinggevenden. Er is geen reden om aan te nemen, dat de kennis en ervaring van de medewerkers onvoldoende zouden zijn om als basis te dienen voor de terugkoppeling aan de Ombudsman. De stelling dat hier beleidsstukken, e-mails, notities, overlegverslagen, werkinstructies of vragenlijsten voor nodig zijn, is te algemeen en onvoldoende onderbouwd.
8.6
Eisers betoog, dat het in de praktijk gemaakte onderscheid tussen tipgevers en meedenkers moet zijn te herleiden tot een document, is ook onvoldoende onderbouwd. Bovendien vragen deze begrippen niet om algemene schriftelijke opheldering. Politie en OM kunnen in staat worden geacht dat onderscheid in het concrete geval te maken zonder onderliggend document.
8.7
Verweerders verwijzing naar criteria ter beoordeling of sprake is van bruikbare informatie, betekent evenmin dat er een document moet zijn waarin die criteria in het algemeen zijn gedefinieerd. Gezien het voorgaande is het aannemelijk, dat dergelijke beoordelingen per concreet geval plaatsvinden. Hierbij mag worden aangenomen dat politie en OM in het concrete geval kunnen putten uit algemenere, door ervaring en deskundigheid gevormde inzichten, zonder te hoeven terugvallen op een document.
De zienswijzen
9. Tijdens de bezwaarprocedure heeft verweerder nagelaten eiser inzage te geven in (delen van) de zienswijzen van het Openbaar Ministerie en de Nationale Ombudsman. Een gewichtige reden om dat achterwege te laten is niet gegeven. Dat is in strijd met artikel 7:4, tweede lid van de Awb. In de beroepsprocedure zijn de zienswijzen alsnog aan eiser verstrekt. Ter zitting heeft eiser aangegeven geen belang meer te hechten aan deze beroepsgrond. De rechtbank ziet daarom aanleiding het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.
Artikel 5.5 van de Woo
10. Artikel 5.5 van de Woo geeft de verzoeker recht op informatie die op hemzelf betrekking heeft. Uit het Woo-verzoek volgt niet dat eiser daarom heeft verzocht. De Woo verplicht ook niet tot ambtshalve toepassing van artikel 5.5. Uit het artikel blijkt duidelijk dat daartoe een apart verzoek moet worden gedaan. Er was op dit punt dan ook geen verplichting om een individuele belangenafweging te maken, of hierover contact met eiser op te nemen.
Détournement de pouvoir, fair play
11. Eiser betoogt dat verweerder de bevoegdheid tot het nemen van een Woo-besluit voor een ander doel gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. De rechtbank begrijpt hieruit dat eiser het verwijt maakt, dat verweerder de beslisprocedure op Woo-aanvragen aanwendt ter omzeiling van zijn openbaarmakingsverplichtingen. Hiervoor heeft de rechtbank geen aanknopingspunten. Uit de toelichting door verweerder over zijn onderzoeksinspanningen, blijkt dat het Woo-verzoek serieus is genomen en dat meerdere keren uitvraag is gedaan naar informatie. Het kan eiser wel worden toegegeven, dat de communicatie met hem beter had gekund. De rechtbank kan zich inleven in de ontevredenheid van eiser over zijn bejegening. Het was passend geweest als hij beter op de hoogte was gehouden over de contacten met de Ombudsman, de voortgang van het onderzoek en de opvolging van de aanbevelingen. Daarin ligt echter geen reden om te oordelen dat de voorbereiding van het bestreden besluit onzorgvuldig is geweest, dan wel dat verweerder blijk heeft gegeven van vooringenomenheid of een gebrek aan fair play.

Conclusie en gevolgen

12. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven. [5] Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding, omdat niet is gebleken dat dergelijke kosten zijn gemaakt en eiser zonder rechtskundige bijstand heeft geprocedeerd. Eiser is wegens betalingsonmacht van griffierecht vrijgesteld.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Rapport met publicatienummer 2022/189.
3.Voor zover het gaat om informatie onder het OM, is het verzoek beoordeeld door de minister van Justitie en Veiligheid. Hierop ziet de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 24/6485.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:774.
5.Met toepassing van artikel 8:71, derde lid, aanhef en onder a van de Awb.