De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de oplegging van een Lichte Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (LEMG) door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. De maatregel werd opgelegd naar aanleiding van een snelheidsovertreding op 23 augustus 2024, waarbij eiser met een gecorrigeerde snelheid van 130 km/u reed op een weg waar 80 km/u was toegestaan.
Eiser voerde aan dat er geen concreet bewijs was voor de snelheidsovertreding, dat hij de overtreding niet erkende en dat het niet automatisch betekent dat zijn rijgedrag onverantwoord was. Tevens stelde hij dat hij niet tijdig gehoord kon worden vanwege ziekte en dat rekening gehouden moest worden met zijn financiële situatie.
De rechtbank oordeelde dat het proces-verbaal, op ambtsbelofte opgemaakt, voldoende bewijs vormt en dat verweerder terecht de LEMG oplegde. De hoorplicht werd niet geschonden omdat eiser niet tijdig om een hoorzitting had verzocht en zijn ziekte niet aannemelijk had gemaakt. Ook was de financiële situatie geen reden om van de maatregel af te wijken. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.