De minister van Asiel en Migratie heeft op 16 september 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiseres op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 23 september 2025.
De minister baseerde de maatregel op zware gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht gedurende enige tijd, en het niet meewerken aan een overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat Spanje. Daarnaast werden lichte gronden aangevoerd zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
De rechtbank oordeelde dat de zware gronden 3b (onttrekking aan toezicht) en 3k (weigering medewerking overdracht) feitelijk juist zijn. Eiseres had zich enkele maanden onttrokken aan toezicht en had zich na het overdrachtsbesluit niet gemeld om medewerking te verlenen. De lichte gronden waren eveneens juist en voldoende onderbouwd. Het beroep faalde ook in de stelling dat de minister het onttrekkingsrisico nader had moeten motiveren, aangezien de feiten een weerlegbaar rechtsvermoeden vormen dat niet is weerlegd.
Verder wees de rechtbank het argument af dat een lichter middel had moeten worden toegepast, omdat eiseres weliswaar wilde meewerken, maar zich niet beschikbaar hield voor overdracht. De ambtshalve toetsing leverde geen aanleiding op tot een ander oordeel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.