De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vrouw van Ugandese nationaliteit en haar minderjarige dochter tegen de maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
De bewaring was inmiddels opgeheven, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding moest worden toegekend. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel, aangezien de eiseres een meewerkplicht had maar geen vertrekplicht en de minister geen actie had ondernomen om de overdracht naar Duitsland te effectueren voordat de bewaring werd opgelegd.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring vanaf het moment van opleggen onrechtmatig was en kende een schadevergoeding toe van €1.600,- voor acht dagen onrechtmatige vrijheidsontneming voor zowel de moeder als haar dochter. Daarnaast werd de minister veroordeeld in de proceskosten van €1.814,-. De uitspraak werd gedaan door rechter P. Lenstra en griffier R.A. Oelen op 3 februari 2025.