ECLI:NL:RBDHA:2025:18054
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit derdelander uit Oekraïne
Verzoeker, een Marokkaanse derdelander die in Oekraïne verbleef tijdens het uitbreken van de oorlog, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland op grond van Richtlijn 2001/55/EG. Dit recht eindigde op 4 maart 2024, waarna een tijdelijke bevriezingsmaatregel hem nog recht gaf op opvang en werk tot 4 september 2025. Op 13 augustus 2025 legde de minister een terugkeerbesluit op met een vertrektermijn van vier weken vanaf 4 september 2025.
Verzoeker stelde op 9 september 2025 beroep in tegen het terugkeerbesluit en verzocht om een voorlopige voorziening om zijn uitzetting te schorsen en verblijf en opvang in Nederland te waarborgen. Hoewel hij op 12 september 2025 werd verzocht om binnen een week de beroepsgronden in te dienen, heeft hij dit niet gedaan. De ingediende gronden gingen alleen over spoedeisendheid en belangenafweging, niet over de inhoud van het terugkeerbesluit.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is spoedeisend belang omdat verzoeker uiterlijk 2 oktober 2025 de opvang moet verlaten, maar zonder inhoudelijke beroepsgronden is geen grond voor schorsing. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het terugkeerbesluit wordt afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid.