ECLI:NL:RBDHA:2025:18068

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 augustus 2025
Publicatiedatum
1 oktober 2025
Zaaknummer
C/09/685612 / FA RK 25-3816
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:81 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling voorlopige partneralimentatie in echtscheidingsprocedure

De vrouw en de man zijn gehuwd sinds 1998 onder huwelijkse voorwaarden en leven al jaren gescheiden. In 2021 ondertekenden zij een echtscheidingsconvenant, maar een verzoek tot echtscheiding werd pas in mei 2025 ingediend. De vrouw verzocht om vaststelling van voorlopige partneralimentatie van €2.000 per maand, terwijl de man dit betwistte.

De rechtbank oordeelde dat de status van het convenant niet in deze voorlopige voorziening beoordeeld wordt. Gezien de wederzijdse onderhoudsplicht tijdens het huwelijk en de berekeningen uit het convenant, is voldoende gebleken dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man. De vrouw toonde aan geen bijstands- of WIA-uitkering te kunnen ontvangen vanwege haar gehuwde status en arbeidsongeschiktheid als zelfstandig ondernemer.

De rechtbank achtte het redelijk aan te sluiten bij de overeengekomen alimentatie van €800 per maand uit het convenant, aangezien de vrouw hiermee gedurende drie jaar in haar behoefte kon voorzien, mede door in te teren op haar aandeel in de overwaarde van de voormalige woning. Er was geen substantiële wijziging van deze situatie. De rechtbank wees het hogere bedrag af en stelde de alimentatie vast op €800 per maand, met ingang van de datum van de beschikking, en verklaarde deze uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank stelt voorlopige partneralimentatie vast op €800 per maand met ingang van de datum van de beschikking.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3816
Zaaknummer: C/09/685612
Datum beschikking: 20 augustus 2025

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 22 mei 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.H.J.W. de Brouwer in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.C. Houwing in Berkel en Rodenrijs.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vrouw;
  • het aanvullend verzoekschrift namens de vrouw;
  • het bericht van 28 juli 2025, met bijlage, namens de vrouw;
  • het verweerschrift, met bijlagen, namens de man;
  • het bericht van 4 augustus 2025, met bijlage, namens de vrouw;
  • het bericht van 5 augustus 2025, met bijlagen, namens de vrouw.
Op 6 augustus 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat.

Feiten

  • De vrouw en de man zijn gehuwd op [datum] 1998 in [plaats] , [land] .
  • Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 2.000,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van de datum van de beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Convenant
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. De vrouw en de man leven al jaren gescheiden. Op 13 september 2021 hebben zij een echtscheidingsconvenant ondertekend. Desondanks is vervolgens geen verzoek tot echtscheiding ingediend. De man heeft pas recent, op 16 mei 2025, een verzoek tot echtscheiding ingediend. Tussen partijen is in geschil welke waarde er aan het convenant moet worden gehecht. Volgens de man zijn de afspraken uit het convenant geldig, ook zonder een echtscheiding, en hebben partijen daar inmiddels ook uitvoering aan gegeven. De vrouw stelt dat zij het convenant na de ondertekening heeft vernietigd.
De rechtbank zal de status van het convenant in deze procedure niet beoordelen, omdat dat het bestek van deze voorlopige voorziening te buiten gaat.
Voorlopige alimentatie
De rechtbank constateert dat de vrouw en de man op dit moment nog gehuwd zijn, dat een echtscheidingsprocedure is gestart en dat sprake is van een wederzijdse onderhoudsplicht op grond van artikel 1:81 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
De rechtbank is met het oog op de berekeningen die zijn gemaakt in het kader van het echtscheidingsconvenant van oordeel dat voldoende is gebleken dat de vrouw na het uiteen gaan van partijen behoefte had en heeft aan een bijdrage van de man. Ten aanzien van de behoeftigheid van de vrouw merkt de rechtbank op dat de vrouw geen inzicht heeft gegeven in haar huidige inkomsten. De vrouw heeft daarentegen wel onderbouwd dat zij geen bijstandsuitkering kan aanvragen, onder andere omdat zij nog gehuwd is, en dat zij ondanks haar arbeidsongeschiktheid geen WIA-uitkering kan aanvragen, omdat zij zelfstandig ondernemer is (geweest).
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw en de man hebben een convenant ondertekend waarin zij, in afwijking van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, een door de man te betalen partneralimentatie van € 800,- per maand (voor 36 maanden) zijn overeengekomen, waarbij er kennelijk ook rekening mee is gehouden dat de vrouw zou interen op het haar toekomende deel van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning. De rechtbank acht het redelijk om in deze procedure hierbij aan te sluiten.
De vrouw heeft gedurende drie jaar daadwerkelijk met deze bijdrage in haar behoefte kunnen voorzien, mede, zoals in het convenant aangegeven, door in te kunnen teren op haar aandeel van de overwaarde uit de verkoop van een gezamenlijke woning en met eventueel aanvullende inkomsten en/of giften. De rechtbank ziet niet dat deze situatie substantieel is gewijzigd, zodat het redelijk is om aan te nemen dat voor de vrouw de behoeftigheid ter hoogte van € 800,- per maand nog bestaat. De vraag of de vrouw eventuele verdiencapaciteit zou kunnen inzetten om de behoeftigheid te verminderen leent zich niet voor onderhavige procedure.
De rechtbank merkt daarbij op dat ook de man dit bedrag aan partneralimentatie subsidiair heeft verzocht en dat uit de door hem overgelegde berekening blijkt dat de man voldoende draagkracht heeft om deze bijdrage te betalen.
Als ingangsdatum zal de rechtbank, zoals door de vrouw verzocht, de datum van deze beschikking hanteren.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, voorlopig een partneralimentatie van € 800,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 augustus 2025.