De vrouw en de man zijn gehuwd sinds 1998 onder huwelijkse voorwaarden en leven al jaren gescheiden. In 2021 ondertekenden zij een echtscheidingsconvenant, maar een verzoek tot echtscheiding werd pas in mei 2025 ingediend. De vrouw verzocht om vaststelling van voorlopige partneralimentatie van €2.000 per maand, terwijl de man dit betwistte.
De rechtbank oordeelde dat de status van het convenant niet in deze voorlopige voorziening beoordeeld wordt. Gezien de wederzijdse onderhoudsplicht tijdens het huwelijk en de berekeningen uit het convenant, is voldoende gebleken dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man. De vrouw toonde aan geen bijstands- of WIA-uitkering te kunnen ontvangen vanwege haar gehuwde status en arbeidsongeschiktheid als zelfstandig ondernemer.
De rechtbank achtte het redelijk aan te sluiten bij de overeengekomen alimentatie van €800 per maand uit het convenant, aangezien de vrouw hiermee gedurende drie jaar in haar behoefte kon voorzien, mede door in te teren op haar aandeel in de overwaarde van de voormalige woning. Er was geen substantiële wijziging van deze situatie. De rechtbank wees het hogere bedrag af en stelde de alimentatie vast op €800 per maand, met ingang van de datum van de beschikking, en verklaarde deze uitvoerbaar bij voorraad.