Eiser diende op 11 juli 2025 beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank had op 2 september 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij ten onrechte aannam dat eiser de Libanese nationaliteit had, terwijl hij Libisch is. Hierdoor werd het besluit- en vertrekmoratorium voor Libanon onterecht betrokken.
De rechtbank verklaart de eerdere uitspraak ambtshalve vervallen en behandelt het beroep opnieuw. De minister ontving de aanvraag op 15 december 2024 en diende binnen zes maanden te beslissen. Eiser stelde de minister op 20 juni 2025 in gebreke en stelde daarna beroep in. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist.
De rechtbank legt een nadere beslistermijn op: binnen acht weken na verzending van deze uitspraak moet de minister een nader gehoor afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit nemen. Voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, geldt een dwangsom van €100,- met een maximum van €15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €453,50 wegens inschakeling van juridische hulp.