Eiser, een Algerijnse vreemdeling, werd op 25 augustus 2025 geconfronteerd met een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. De maatregel werd genomen vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. De rechtbank ontving op 22 september 2025 de kennisgeving van de maatregel en het daarop volgende beroep.
Eiser betwistte de aan de bewaring ten grondslag liggende gronden niet. De rechtbank stelde vast dat de zware gronden, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen, het niet naleven van vertrekverplichtingen en het niet meewerken aan identiteitsvaststelling, alsmede lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan, feitelijk juist en voldoende toegelicht waren. Deze gronden rechtvaardigen de maatregel van bewaring.
De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de maatregel onrechtmatig was of dat het familie- en gezinsleven van eiser of het non-refoulementbeginsel zich tegen terugkeer verzetten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.